<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2025:3360</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-30T10:33:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">202503122/1/V3</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:3360">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:3360</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-23T08:01:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2025:3360 Raad van State , 23-07-2025 / 202503122/1/V3</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2025:3360:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep van de minister gegrond verklaard. Verzoeker wil herziening van deze uitspraak. Hij voert aan dat de Afdeling heeft geoordeeld dat zijn beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 moet worden aangemerkt, en dat zij daarom consequenties had moeten verbinden aan de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden (artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2025:3360:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>202503122/1/V3.</para>
    <para>Datum uitspraak: 23 juli 2025</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak op het verzoek van:</para>
    <para>[verzoeker],</para>
    <para>verzoeker,</para>
    <para>om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2025 in zaak nr. 202500169/1/V3, ECLI:NL:RVS:2025:2398.</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>Bij brief van 1 juni 2025 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om de hiervoor genoemde uitspraak van 27 mei 2025 te herzien.</para>
    <para>Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>1.       De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. De redenen die verzoeker geeft in het herzieningsverzoek zijn niet zulke feiten of omstandigheden.</para>
    <para>1.1.    De Afdeling heeft het hoger beroep van de minister gegrond verklaard. Verzoeker wil herziening van deze uitspraak. Hij voert aan dat de Afdeling heeft geoordeeld dat zijn beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 moet worden aangemerkt, en dat zij daarom consequenties had moeten verbinden aan de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden (artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000). Verzoeker is weliswaar eerst op 27 mei 2025 bekend geworden met het feit dat zijn beroep bij de rechtbank als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 had moeten worden aangemerkt, zodat is voldaan aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb. Maar de Afdeling stelt vast dat de rechtbank verzoeker bij brief van 27 december 2024 heeft gevraagd of zijn beroep op een zitting behandeld moest worden en dat verzoeker bij brief van 30 december 2024 aan de rechtbank heeft laten weten dat hij geen bezwaar had tegen een schriftelijke afdoening. Daarom had de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden, in dit geval niet tot een andere uitspraak kunnen leiden. Om die reden voldoet het herzieningsverzoek niet aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.</para>
    <para>2.       De Afdeling wijst het verzoek daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>wijst het verzoek af.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.</para>
    <para>w.g. De Poorter</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>w.g. Jiawan</para>
    <para>griffier</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025</para>
    <para>1017</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>