<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2024:5178</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-18T10:31:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">202307138/1/V1</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:5178">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:5178</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-16T08:30:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2024:5178 Raad van State , 16-12-2024 / 202307138/1/V1</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2024:5178:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2024:5178:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>202307138/1/V1.</para>
    <para>Datum uitspraak: 16 december 2024</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:</para>
    <para>[de vreemdeling],</para>
    <para>appellant,</para>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 oktober 2023 in zaak nr. NL23.14365 in het geding tussen:</para>
    <para>de vreemdeling</para>
    <para>en</para>
    <para>de minister van Asiel en Migratie.</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.</para>
    <para>Bij uitspraak van 24 oktober 2023 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om alsnog een besluit te nemen, dwangsommen vastgesteld en opgelegd en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 209,25.</para>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Breuls, advocaat in Dalfsen, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>1.       De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253, onder 2. Hieruit volgt dat de vreemdeling terecht betoogt dat de rechtbank wegingsfactor 0,5 (licht) en niet 0,25 (zeer licht) had moeten toepassen.</para>
    <para>De grief slaagt.</para>
    <para>2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij onder toepassing van wegingsfactor 0,25, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 209,25. De Afdeling zal de minister alsnog tot een vergoeding van de proceskosten in beroep veroordelen met toepassing van wegingsfactor 0,5. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, en van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep eveneens als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>I.        verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
    <para>II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 oktober 2023 in zaak nr. NL23.14365, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 209,25;</para>
    <para>III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00 (€ 437,50 voor het beroep en € 437,50 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.</para>
    <para>w.g. Kuijer</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>w.g. Zwemstra</para>
    <para>griffier</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2024</para>
    <para>91-1060</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>