<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2024:4671</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-05T16:25:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">202305647/1/A2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2023:10311" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:10311, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:4671">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:4671</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-18T11:12:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2024:4671 Raad van State , 04-11-2024 / 202305647/1/A2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2024:4671:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>[appellant] heeft op 15 januari 2022 op grond van de Subsidieregeling elektrische personenauto’s particulieren een subsidie van € 2.000,00 aangevraagd voor de koop van een gebruikte elektrische personenauto, type Volkswagen e-Golf. In de aanvraag staat dat hij de auto bij een autobedrijf in Duitsland heeft gekocht. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft de aanvraag afgewezen omdat [appellant] de auto niet heeft gekocht van een door de Dienst Wegverkeer erkende autoverkoper. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 1.1 van de SEPP, gelezen in samenhang met artikel 1.13 van de SEPP, de exceptieve toetsing kan doorstaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2024:4671:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>202305647/1/A2.</para>
    <para>Datum uitspraak: 4 november 2024</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:</para>
    <para>[appellant], wonend in Den Haag,</para>
    <para>appellant,</para>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2023 in zaak nr. 22/5772 in het geding tussen:</para>
    <para>[appellant]</para>
    <para>en</para>
    <para>de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,</para>
    <para>(hierna: de staatssecretaris),</para>
    <para>nu: de staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu</para>
    <para>Openbare zitting gehouden op 4 november 2024 om 10:00 uur.</para>
    <para>Tegenwoordig:</para>
    <para>Staatsraad mr. J.M. Willems</para>
    <para>Griffier: mr. O. van Loon</para>
    <para>Jurist: mr. A.J.Q. Oskam</para>
    <para>Verschenen:</para>
    <para>[appellant], bijgestaan door mr. M.B. de Jong, rechtsbijstandverlener te Amsterdam;</para>
    <para>de staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu, vertegenwoordigd door mr. M. Wullink.</para>
    <para>Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 14 juli 2023 van de rechtbank Den Haag.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</para>
    <para>Motivering</para>
    <para>[appellant] heeft op 15 januari 2022 op grond van de Subsidieregeling elektrische personenauto’s particulieren (hierna: SEPP) een subsidie van € 2.000,00 aangevraagd voor de koop van een gebruikte elektrische personenauto, type Volkswagen e-Golf. In de aanvraag staat dat hij de auto bij een autobedrijf in Duitsland heeft gekocht. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat [appellant] de auto niet heeft gekocht van een door de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) erkende autoverkoper.</para>
    <para>[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 1.1 van de SEPP, gelezen in samenhang met artikel 1.13 van de SEPP, de exceptieve toetsing kan doorstaan. [appellant] stelt dat het onevenredig is dat buitenlandse autodealers, dus ook Duitse autodealers, zijn uitgesloten van de SEPP en ook voor hem onevenredigheid uitpakt omdat duidelijk is dat in zijn geval geen sprake is van fraude. Verder betoogt hij in hoger beroep dat in de SEPP ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen gebruikte en nieuwe elektrische auto’s ten aanzien van de eis dat de auto bij een RDW-erkende autoverkoper moet zijn gekocht.</para>
    <para>De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan, onder overwegingen 5.2 tot en met 5.6, en ziet geen aanleiding om anders te oordelen. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de staatssecretaris er terecht en ter zitting onweersproken op heeft gewezen dat het bedoelde onderscheid tussen gebruikte en nieuwe elektrische auto’s verklaard wordt uit de omstandigheid dat een nieuwe elektrische auto nog geen particuliere eigenaar heeft gehad waardoor er geen verhoogd risico op fraude is, welk risico met de voorwaarde van de RDW-erkenning nu juist moet worden tegengegaan.</para>
    <para>Het hoger beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para>w.g. Willems</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>w.g. Van Loon</para>
    <para>griffier</para>
    <para>284-1067</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>