<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2024:4607</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-04T09:35:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">202402555/1/A2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2024:5826" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:5826, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:4607">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:4607</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-13T10:16:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2024:4607 Raad van State , 13-11-2024 / 202402555/1/A2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2024:4607:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 11 november 2022 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen. De CSG heeft de aanvraag van [appellante] uit juni 2022 om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen, omdat zij deze aanvraag niet binnen tien jaar na het tegen haar in de periode tussen 2000 en 2003 gepleegde geweld heeft ingediend. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG in redelijkheid heeft kunnen beslissen de aanvraag niet alsnog in behandeling te nemen. Volgens de rechtbank heeft [appellante] niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat sprake is van psychische overmacht als gevolg waarvan zij de aanvraag redelijkerwijs niet eerder had kunnen indienen en waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2024:4607:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>202402555/1/A2.</para>
    <para>Datum uitspraak: 13 november 2024</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:</para>
    <para>[appellante], wonend in [woonplaats],</para>
    <para>appellante,</para>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2024 in zaak nr. 23/4533 in het geding tussen:</para>
    <para>[appellante]</para>
    <para>en</para>
    <para>Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>Bij besluit van 11 november 2022 heeft de CSG de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.</para>
    <para>Bij besluit van 11 april 2023 heeft de CSG het door [appellante] daartegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para>Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.</para>
    <para>De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.</para>
    <para>Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>Geschil</para>
    <para>1.       De CSG heeft de aanvraag van [appellante] uit juni 2022 om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen, omdat zij deze aanvraag niet binnen tien jaar na het tegen haar in de periode tussen 2000 en 2003 gepleegde geweld heeft ingediend. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.</para>
    <para>2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG in redelijkheid heeft kunnen beslissen de aanvraag niet alsnog in behandeling te nemen. Volgens de rechtbank heeft [appellante] niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat sprake is van psychische overmacht als gevolg waarvan zij de aanvraag redelijkerwijs niet eerder had kunnen indienen en waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn. De (medische) onderbouwing waarom de CSG in dit verband heeft gevraagd heeft zij niet in het geding gebracht. Bij de eerdere aanvraag waarop [appellante] zich beroept was geen sprake van overschrijding van de tienjaarstermijn omdat die zag op geweld tot 2021.</para>
    <para>Hoger beroep</para>
    <para>3.       [appellante] betoogt dat de CSG bij een eerdere aanvraag, die zij ook buiten de termijn had ingediend en die betrekking had op een geweldsmisdrijf uit 2003, geen vragen heeft gesteld en dat zij toen niet is gewezen op een mogelijke termijnoverschrijding. [appellante] stelt dat zij rond 2021-2022 is "ontwaakt" uit een psychische slaap en zich realiseerde dat zij is mishandeld en dat zij toen zo snel mogelijk de aanvraag heeft ingediend. De aanvraag hoort gewoon behandeld te worden, aldus [appellante].</para>
    <para>Beoordeling hoger beroep</para>
    <para>4.       De grond die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van deze grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7-7.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.</para>
    <para>Conclusie</para>
    <para>5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para>6.       De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.</para>
    <para>w.g. Willems</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>w.g. Ouwehand</para>
    <para>griffier</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024</para>
    <para>752</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>