<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2023:2096</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-31T11:35:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">202202961/1/A2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2023:2096">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2023:2096</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-31T10:17:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2023:2096 Raad van State , 31-05-2023 / 202202961/1/A2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2023:2096:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij uitspraak van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2745, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep van [verzoeker] tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 december 2020 in zaak nr. 20/1292 ongegrond verklaard. [verzoeker] verzoekt de Afdeling allereerst een brief van het Letterenfonds van 30 november 2021, waarin een klacht van hem buiten behandeling is gesteld, aan te merken als besluit en mee te nemen bij de beoordeling van zijn verzoek. Volgens [verzoeker] is zijn klacht ten onrechte buiten behandeling gesteld. [verzoeker] wijst er verder op dat de literaire kwaliteit van zijn essay uit 1986 onjuist is beoordeeld, omdat die beoordeling is gebaseerd op een summiere kaartenbakrecensie van het Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum en die recensie afkomstig is van iemand die hem niet goedgezind is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2023:2096:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>202202961/1/A2.</para>
    <para>Datum uitspraak: 31 mei 2023</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak op het verzoek van:</para>
    <para>[verzoeker], wonend te [woonplaats],</para>
    <para>om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2745.</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>Bij uitspraak van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2745, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 december 2020 in zaak nr. 20/1292 ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.</para>
    <para>[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.</para>
    <para>De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 2 mei 2023, waar [verzoeker] is verschenen.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>1.       [verzoeker] verzoekt de Afdeling allereerst een brief van het Letterenfonds van 30 november 2021, waarin een klacht van hem buiten behandeling is gesteld, aan te merken als besluit en mee te nemen bij de beoordeling van zijn verzoek. Volgens [verzoeker] is zijn klacht ten onrechte buiten behandeling gesteld. [verzoeker] wijst er verder op dat de literaire kwaliteit van zijn essay uit 1986 onjuist is beoordeeld, omdat die beoordeling is gebaseerd op een summiere kaartenbakrecensie van het Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum en die recensie afkomstig is van iemand die hem niet goedgezind is. De Afdeling is er in de uitspraak van 8 december 2021 ten onrechte van uitgegaan dat het standpunt van het Letterenfonds over de literaire kwaliteit van zijn werk juist is, aldus [verzoeker].</para>
    <para>2.       Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:</para>
    <para>"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:</para>
    <para>a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,</para>
    <para>b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en</para>
    <para>c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."</para>
    <para>3.       Naar het oordeel van de Afdeling zijn er geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Dat wat [verzoeker] aanvoert heeft hij al eerder bij de behandeling van zijn zaak door de Afdeling aangevoerd. De Afdeling heeft daar in haar uitspraak van 8 december 2021 een oordeel over gegeven. Voor zover [verzoeker] onderdelen van zijn betoog nog niet eerder had aangevoerd, geldt dat hij dit wel had kunnen doen. Er is daarom geen aanleiding voor herziening van de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021.</para>
    <para>4.       Het verzoek moet worden afgewezen.</para>
    <para>5.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>wijst het verzoek af.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.</para>
    <para>w.g. Borman</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>w.g. De Vink</para>
    <para>griffier</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023</para>
    <para>154-1022</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>