<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2023:1907</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-24T10:32:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">202103851/1/V2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2023:1907">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2023:1907</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-16T09:55:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2023:1907 Raad van State , 17-05-2023 / 202103851/1/V2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2023:1907:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 juni 2021 in zaak nr. NL21.6960, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 23 augustus 2022 heeft de vreemdeling het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2023:1907:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>202103851/1/V2.</para>
    <para>Datum uitspraak: 17 mei 2023</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:</para>
    <para>[de vreemdeling],</para>
    <para>verzoeker,</para>
    <para>om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb)</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>a</para>
    <para>Desgevraagd heeft de staatssecretaris een nader stuk ingediend.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>1.       Ingevolge artikel 8:75a, gelezen in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van die wet worden veroordeeld.</para>
    <para>2.       De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken in reactie op een brief van de staatssecretaris aan de Afdeling van 19 augustus 2022 en gelijktijdig een verzoek gedaan om de staatssecretaris in de proceskosten te veroordelen. In de brief van de staatssecretaris van 19 augustus 2022 staat dat hij bij besluit van 18 augustus 2022, de vreemdeling alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. Hiermee is hij de vreemdeling tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1507.</para>
    <para>3.       De staatssecretaris heeft in zijn brief van 19 augustus 2022 aangeboden de kosten van de in hoger beroep verleende rechtsbijstand te vergoeden ter waarde van 1 punt. De vreemdeling kan zich daarin niet vinden en verzoekt om ook een vergoeding voor zijn schriftelijke reactie op de door de Afdeling bij brief van 25 mei 2022 gestelde vragen.</para>
    <para>3.1.    In de brief van de Afdeling van 25 mei 2022 aan de vreemdeling wordt aangegeven welke vragen de Afdeling ter zitting zal behandelen. De vreemdeling is daarbij onder vaststelling van een termijn in de gelegenheid gesteld tot het indienen van een reactie. Overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht ziet de Afdeling aanleiding tot vergoeding van 0,5 punt voor deze reactie.</para>
    <para>4.       Anders dan het aanbod van de staatssecretaris, ziet de Afdeling ook aanleiding voor een vergoeding van kosten van de in beroep verleende rechtsbijstand.</para>
    <para>5.       Het verzoek moet op na te melden wijze worden toegewezen.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.929,50 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.</para>
    <para>w.g. Verheij</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>w.g. Iedema</para>
    <para>griffier</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2023</para>
    <para>307-987</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>