<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2022:1308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-04T14:36:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">202106705/1/V6</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1308">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-04T10:16:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2022:1308 Raad van State , 04-05-2022 / 202106705/1/V6</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2022:1308:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij uitspraak van 31 maart 2021, in zaak nr. 202100189/1/V6 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2021 in zaak nr. 19/2298 niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van [verzoekster] is bij uitspraak van 31 maart 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij het verschuldigde griffierecht niet had voldaan. Haar verzet is bij uitspraak van 20 april 2021 ongegrond verklaard, omdat zij geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2022:1308:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>202106705/1/V6.</para>
    <para>Datum uitspraak: 4 mei 2022</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak op het verzoek van:</para>
    <para>[verzoekster], wonend te Amsterdam,</para>
    <para>verzoekster,</para>
    <para>om herziening (artikel 8:119 van de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2021, in zaak nr. 202100189/1/V6.</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>Bij uitspraak van 31 maart 2021, in zaak nr. 202100189/1/V6 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2021 in zaak nr. 19/2298 niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht.</para>
    <para>Bij brief van 21 oktober 2021 heeft [verzoekster] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.</para>
    <para>De Afdeling heeft het verzoek ter zitting aan de orde gesteld op 30 december 2021.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>1.       Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:</para>
    <para>"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:</para>
    <para>a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,</para>
    <para>b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en</para>
    <para>c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."</para>
    <para>2.       Het hoger beroep van [verzoekster] is bij uitspraak van 31 maart 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij het verschuldigde griffierecht niet had voldaan. Haar verzet is bij uitspraak van 20 april 2021 ongegrond verklaard, omdat zij geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest.</para>
    <para>3.       Het verzoek van [verzoekster] kan niet inhoudelijk worden behandeld. Op grond van artikel 8:119, derde lid, van de Awb is het griffierecht gelijk aan het griffierecht van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. [verzoekster] is bij brief van 19 januari 2022 erop gewezen dat zij het griffierecht moet betalen. Omdat gebleken is dat [verzoekster] het griffierecht niet heeft voldaan, is haar bij brief van 24 februari 2022 meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht uiterlijk 24 maart 2022 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State moet zijn betaald. Ook is vermeld dat, indien het verschuldigde bedrag niet op die laatste datum is ontvangen, [verzoekster] ervan moet uitgaan dat alleen al om die reden niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening zal volgen en dat haar zaak dan niet inhoudelijk wordt behandeld, behalve in uitzonderlijke gevallen.</para>
    <para>Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [verzoekster] in verzuim is geweest. Omdat [verzoekster] het griffierecht niet heeft voldaan, is haar verzoek niet-ontvankelijk.</para>
    <para>4.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G. Kamminga, griffier.</para>
    <para>w.g. Verburg</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>w.g. Kamminga</para>
    <para>griffier</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2022</para>
    <para>876</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>