<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2020:962</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-01T10:31:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201903677/1/A2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:962">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:962</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-01T10:17:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2020:962 Raad van State , 01-04-2020 / 201903677/1/A2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2020:962:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij afzonderlijke besluiten van 3 september 2018 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de aanvragen om mutaties van afgegeven toevoegingen van [appellant] afgewezen. In geschil is of de rechtbank na gegrondverklaring van het beroep van [appellant] een juiste proceskostenvergoeding heeft toegekend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2020:962:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>201903677/1/A2.</para>
    <para>Datum uitspraak: 1 april 2020</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    <para>[appellant], wonend te [woonplaats],</para>
    <para>tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2019 in zaak nr. 19/627 in het geding tussen:</para>
    <para>[appellant]</para>
    <para>en</para>
    <para>het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de raad).</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>Bij afzonderlijke besluiten van 3 september 2018 heeft de raad de aanvragen om mutaties van afgegeven toevoegingen van [appellant] afgewezen.</para>
    <para>Bij besluit van 18 december 2018 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para>Bij mondelinge uitspraak van 21 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 december 2018 vernietigd. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.</para>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.</para>
    <para>De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2020, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en C. de Jong, is verschenen.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>Inleiding</para>
    <para>1.    In geschil is of de rechtbank na gegrondverklaring van het beroep van [appellant] een juiste proceskostenvergoeding heeft toegekend.</para>
    <para>Oordeel rechtbank</para>
    <para>2.    De rechtbank heeft, voor zover van belang in dit hoger beroep, geoordeeld dat het door [appellant] ingestelde bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hierop heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank de raad veroordeeld in de door [appellant] gemaakte proceskosten. De proceskosten heeft de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1024,00. Deze vergoeding bestaat uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,00 en een wegingsfactor 1.</para>
    <para>Hoger beroep en beoordeling daarvan</para>
    <para>3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend dan wel in onvoldoende mate heeft gemotiveerd waarom 1 punt is toegekend.</para>
    <para>3.1.    De klacht van [appellant], dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend dan wel in onvoldoende mate heeft gemotiveerd waarom 1 punt is toegekend, mist grondslag. De rechtbank heeft [appellant] een proceskostenvergoeding van twee punten toegekend. [appellant] is niet op de zitting verschenen bij de behandeling van dit hoger beroep en heeft de aangevoerde gronden niet verder toegelicht.</para>
    <para>3.2.    Het betoog faalt.</para>
    <para>Conclusie</para>
    <para>4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.</para>
    <para>5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.</para>
    <para>w.g. J.J. van Eck</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020</para>
    <para>480-949.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>