<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2020:1404</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-29T15:00:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-06-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201905490/1/A3</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2019:4554" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:4554, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1404">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1404</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-17T10:16:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2020:1404 Raad van State , 17-06-2020 / 201905490/1/A3</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2020:1404:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft de gebiedscommissie Centrum van de gemeente Rotterdam aan [appellant] vergunning verleend voor het tijdelijk innemen van een standplaats met een mobiele kraam voor de verkoop van geringe eet- en drinkwaren op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 1] in Rotterdam. Bij besluit van 30 januari 2018, voor zover thans van belang, heeft de gebiedscommissie Centrum aan [appellant] vergunning verleend voor het innemen van een standplaats op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3] voor de duur van de werkzaamheden en uiterlijk tot en met 30 juni 2020. Bij besluit van 20 februari 2018 heeft het college de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van 3 augustus 2017 gegrond verklaard en bepaald dat [appellant] tijdens de werkzaamheden een standplaats mag innemen op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3].</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2020:1404:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>201905490/1/A3.</para>
    <para>Datum uitspraak: 17 juni 2020</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    <para>[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),</para>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2019 in zaak nr. 18/1885 in het geding tussen:</para>
    <para>[appellant]</para>
    <para>en</para>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft de gebiedscommissie Centrum van de gemeente Rotterdam aan [appellant] vergunning verleend voor het tijdelijk innemen van een standplaats met een mobiele kraam voor de verkoop van geringe eet- en drinkwaren op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 1] in Rotterdam.</para>
    <para>Bij besluit van 7 februari 2019, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 3 augustus 2017 herroepen en een vergunning verleend voor het tijdelijk innemen van een standplaats op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3].</para>
    <para>Bij uitspraak van 6 juni 2019, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.</para>
    <para>Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.</para>
    <para>De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. de Jong en mr. P.J. Dudok, zijn verschenen.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>Inleiding</para>
    <para>1.    Met het besluit van 3 augustus 2017 is de bij besluit van 21 juli 2015 aan [appellant] tot en met 31 juli 2018 verleende vergunning voor het innemen van een standplaats op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 2] gewijzigd in die zin dat gedurende de werkzaamheden in verband met het bouwplan ‘Forum’ (hierna: de werkzaamheden) een standplaats mag worden ingenomen ter hoogte van het Binnenwegplein [locatie 1].</para>
    <para>    Bij besluit van 30 januari 2018, voor zover thans van belang, heeft de gebiedscommissie Centrum aan [appellant] vergunning verleend voor het innemen van een standplaats op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3] voor de duur van de werkzaamheden en uiterlijk tot en met 30 juni 2020.</para>
    <para>    Bij besluit van 20 februari 2018 heeft het college de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van 3 augustus 2017 gegrond verklaard en bepaald dat [appellant] tijdens de werkzaamheden een standplaats mag innemen op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3].</para>
    <para>    Bij tussenuitspraak van 6 december 2018, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank overwogen dat het college in het besluit van 20 februari 2018 ten onrechte niet op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 30 januari 2018 is ingegaan. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek in het besluit van 20 februari 2018 te herstellen.</para>
    <para>    Bij het besluit van 7 februari 2019 heeft het college de besluiten van 30 januari 2018 en van 20 februari 2018 ingetrokken, het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 3 augustus 2017 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan [appellant] vergunning verleend voor het innemen van een standplaats op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3] voor de duur van de werkzaamheden en uiterlijk tot en met 30 juni 2020.</para>
    <para>[appellant] mag tot maximaal twee maanden na afloop van de werkzaamheden standplaats op deze locatie innemen.</para>
    <para>Hoger beroep</para>
    <para>2.    [appellant] betoogt dat het college bij het besluit van 7 februari 2019 ten onrechte een tijdelijke standplaatsvergunning heeft verleend. [appellant] heeft er belang bij om ook na de afronding van de werkzaamheden standplaats te mogen innemen op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3] en zou graag met een vaste kiosk op deze locatie staan. [appellant] wil niet opnieuw een standplaats innemen op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 2].</para>
    <para>2.1.    De werkzaamheden maken het onmogelijk dat [appellant] standplaats inneemt op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 2], waarvoor bij besluit van 21 juli 2015 tijdelijk vergunning aan [appellant] is verleend. Daarom is vergunning aan [appellant] verleend om tijdens de werkzaamheden een standplaats op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3] in te nemen. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid de geldigheidsduur van de vergunning kunnen beperken tot de duur van de werkzaamheden. De reikwijdte van het besluit van 7 februari 2019 is beperkt tot het verlenen van vergunning voor de periode waarin de werkzaamheden plaatshebben. De locatie van een standplaats na deze periode en het verzoek van [appellant] om een vergunning om met een vaste kiosk op het Binnenwegplein ter hoogte van [locatie 3] te staan, vallen buiten de omvang van dit geding.</para>
    <para>    Het betoog faalt.</para>
    <para>3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.</para>
    <para>4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.</para>
    <para>Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   </para>
    <para>De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020</para>
    <para>598.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>