<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2019:3115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-12T09:58:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201900697/1/A2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2018:10182" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:10182, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3115">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-11T10:16:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2019:3115 Raad van State , 11-09-2019 / 201900697/1/A2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2019:3115:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij brief van 5 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] meegedeeld dat zij nog € 14.541,00 dient terug te betalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2019:3115:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>201900697/1/A2.</para>
    <para>Datum uitspraak: 11 september 2019</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    <para>[appellante], wonend te [woonplaats],</para>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2018 in zaak nr. 17/6953 in het geding tussen:</para>
    <para>[appellante]</para>
    <para>en</para>
    <para>de Belastingdienst/Toeslagen.</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>Bij brief van 5 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] meegedeeld dat zij nog € 14.541,00 dient terug te betalen.</para>
    <para>Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para>Bij uitspraak van 12 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.</para>
    <para>De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.</para>
    <para>[appellante] heeft nadere stukken ingediend.</para>
    <para>De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. K.M. van der Boor, advocaat te Vlaardingen, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>1.    Bij besluit van 3 maart 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 definitief vastgesteld op nihil en € 14.541,00 aan te veel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.</para>
    <para>    Bij brief van 5 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] meegedeeld dat zij nog € 14.541,00 dient terug te betalen.</para>
    <para>    Bij besluit op bezwaar van 24 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2015 herzien en vastgesteld op € 11.369,00.</para>
    <para>    Bij brief van 16 augustus 2017 heeft [appellante] bezwaar gemaakt.</para>
    <para>    Bij het besluit van 26 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard. De dienst heeft vastgesteld dat het bezwaar is gericht tegen de informatieve brief van 5 juli 2017 die geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is. Tegen deze brief staat daarom geen bezwaar en beroep open.</para>
    <para>    De rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard.</para>
    <para>2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar is gericht tegen een terugvorderingsbesluit en een besluit tot herziening van het recht op kinderopvangtoeslag.</para>
    <para>2.1.    [appellante] heeft in het bezwaarschrift van 16 augustus 2017 in de aanhef en de gronden vermeld dat het bezwaar is gericht tegen de brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 5 juli 2017 onder vermelding van het kenmerk van deze brief. Ook is in het bezwaarschrift opgenomen: "Er wordt primair € 14.541,00 van belanghebbende terug- en ingevorderd." Dit terugvorderingsbedrag staat in de brief van 5 juli 2017. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat uit het bezwaarschrift blijkt dat [appellante] heeft beoogd bezwaar te maken tegen de brief van 5 juli 2017.</para>
    <para>    De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat deze brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is waartegen bezwaar en beroep openstaat. De brief van 5 juli 2017 is slechts informatief en houdt niet een wijziging van de rechtspositie van [appellante] in. Het rechtsgevolg is al ingetreden met het eerdere besluit van 3 maart 2017 waarbij de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 definitief is vastgesteld op nihil en € 14.541,00 aan te veel betaalde voorschotten van haar zijn teruggevorderd. Tegen dit besluit stond wel de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.</para>
    <para>    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van [appellante] tegen de brief van 5 juli 2017 niet-ontvankelijk is.</para>
    <para>    Het betoog faalt.</para>
    <para>3.    Uit het oordeel onder 2.1 volgt dat niet wordt toegekomen aan een bespreking van het betoog van [appellante] dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon] ten onrechte heeft aangemerkt als haar toeslagpartner.</para>
    <para>4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para>5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.</para>
    <para>w.g. Wortmann    w.g. Jansen</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer    griffier</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2019</para>
    <para>609.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>