<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2019:2597</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-31T10:31:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201800692/2/V1</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2597">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2597</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-29T08:22:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2019:2597 Raad van State , 29-07-2019 / 201800692/2/V1</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2019:2597:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 22 mei 2017 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, bepaald dat de vreemdeling de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2019:2597:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>201800692/2/V1.</para>
    <para>Datum uitspraak: 29 juli 2019</para>
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para>Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:</para>
    <para>[de vreemdeling],</para>
    <para>verzoeker,</para>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 december 2017 in zaak nr. 17/15731 in het geding tussen:</para>
    <para>de vreemdeling</para>
    <para>en</para>
    <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.</para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para>Bij besluit van 22 mei 2017 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, bepaald dat de vreemdeling de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.</para>
    <para>Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para>Bij uitspraak van 29 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond verklaard.</para>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.</para>
    <para>Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para>Overwegingen</para>
    <para>1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 mei 2017 worden geschorst en de vreemdeling gedurende het hoger beroep moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Daarnaast strekt het verzoek ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist.</para>
    <para>2.    Het hoger beroep is aangehouden in verband met prejudiciële vragen die de Afdeling bij verwijzingsuitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1738, heeft gesteld aan het Hof van Justitie. Gelet hierop en op de belangen die de vreemdeling naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding in zoverre een voorlopige voorziening te treffen, dat wordt bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Voor een verderstrekkende voorziening ziet de voorzieningenrechter, gelet op de onvoorziene gevolgen daarvan, geen aanleiding.</para>
    <para>3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.</para>
    <para>Beslissing</para>
    <para>De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para>I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;</para>
    <para>II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.</para>
    <para>w.g. Van Eck    w.g. Van Es</para>
    <para>voorzieningenrechter    griffier</para>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2019</para>
    <para>826.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>