<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2018:2819</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-29T10:32:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-08-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201709646/1/V2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2819">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2819</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-23T11:31:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2018:2819 Raad van State , 22-08-2018 / 201709646/1/V2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2018:2819:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 30 mei 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2018:2819:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>201709646/1/V2.</para>
    <para>Datum uitspraak: 22 augustus 2018</para>
    <para />
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para />
    <para>Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[de vreemdeling],</para>
    <para>appellant,</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 november 2017 in zaak nr. NL17.3678 in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>de vreemdeling</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.</para>
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 30 mei 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.</para>
    <para />
    <para>Bij uitspraak van 7 november 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G. van Reemst, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 25 januari 2018 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.</para>
    <para />
    <para>De vreemdeling heeft het tegen dat besluit gerichte beroepschrift aan de Afdeling gezonden.</para>
    <para />
    <para>Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>1.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.</para>
    <para />
    <para>2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>3.    Het besluit van 25 januari 2018 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het beroep tegen dat nieuwe besluit met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb ter behandeling en beslissing naar de rechtbank te verwijzen.</para>
    <para />
    <para>4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para />
    <para>I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para />
    <para>II.    verwijst het beroep tegen het besluit van 25 januari 2018, V-nummer […], ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht.</para>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.</para>
    <para />
    <para>w.g. Van Eck    w.g. Van Loon</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer    griffier</para>
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018</para>
    <para />
    <para>307-806.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>