<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2018:2159</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-04T10:32:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-06-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201800523/1/V3</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2159">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2159</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-29T11:01:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2018:2159 Raad van State , 28-06-2018 / 201800523/1/V3</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2018:2159:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 29 december 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van dezelfde datum is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2018:2159:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>201800523/1/V3.</para>
    <para>Datum uitspraak: 28 juni 2018</para>
    <para />
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para />
    <para>Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,</para>
    <para>appellant,</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 januari 2018 in zaken nrs. NL18.124 en NL18.130 in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[de vreemdeling]</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de staatssecretaris.</para>
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 29 december 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van dezelfde datum is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.</para>
    <para />
    <para>Bij uitspraak van 11 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het terugkeerbesluit en het inreisverbod vernietigd, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J. Paffen, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.</para>
    <para />
    <para>Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag of een eerder door de vreemdeling in een andere lidstaat ingediend verzoek om internationale bescherming eraan in de weg staat dat de staatssecretaris gebruik maakt van de terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn (PB 2008, L 348), heeft de Afdeling bij uitspraak van 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1911, beantwoord. Die overwegingen zijn ook in deze zaak van toepassing. Hieruit volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De door de vreemdeling in de gronden van beroep opgeworpen rechtsvragen heeft de Afdeling eveneens beantwoord bij voormelde uitspraak van 7 juni 2018. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen de besluiten van 29 december 2017 alsnog ongegrond verklaren. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para />
    <para>I.    verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 januari 2018 in zaken nrs. NL18.124 en NL18.130;</para>
    <para />
    <para>III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroep ongegrond;</para>
    <para />
    <para>IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.</para>
    <para />
    <para>w.g. Verheij    w.g. Nieuwenhuizen</para>
    <para>voorzitter    griffier</para>
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018</para>
    <para />
    <para>633.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>