<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2018:1629</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-30T13:37:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201703223/1/A2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2017:1730" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1730, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:1629">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:1629</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-16T10:01:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2018:1629 Raad van State , 16-05-2018 / 201703223/1/A2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2018:1629:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2014 herzien en op nihil gesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak xml:space="preserve" lang="nl" id="ECLI:NL:RVS:2018:1629:DOC" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>201703223/1/A2.</para>
    <para>Datum uitspraak: 16 mei 2018</para>
    <para />
    <para>AFDELING</para>
    <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonend te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2017 in zaak nr. 16/1958 in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellante]</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Belastingdienst/Toeslagen.</para>
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2014 herzien en op nihil gesteld.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 8 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>Bij uitspraak van 7 maart 2017 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.</para>
    <para />
    <para>De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 5 januari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2014 definitief berekend en vastgesteld op € 7.657,00.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 1 maart 2018 heeft [appellante], onder handhaving van het hoger beroep, verzocht om een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten.</para>
    <para />
    <para>Partijen hebben toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen.</para>
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>1.    [appellante] heeft in 2014 voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen voor de opvang van haar kinderen door een gastouder via [gastouderbureau A] en [gastouderbureau B]. Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag aan [appellante] over 2014 herzien en op nihil gesteld. Nadat een bij de rechtbank ingesteld beroep gegrond was verklaard en de Belastingdienst/Toeslagen een nieuw besluit op bezwaar moest nemen, heeft de dienst bij besluit van 8 februari 2016 het door [appellante] gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Volgens de dienst blijkt uit de door [appellante] toegezonden stukken dat zij voor de opvang via het [gastouderbureau A] over de maanden mei en juni 2014 aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag. Zij had daarom recht op een voorschot van € 3.938,00. Voor de opvang via [gastouderbureau B] - van januari tot en met maart 2014 - heeft zij geen recht op toeslag. Voor deze opvang heeft zij volgens de Belastingdienst/Toeslagen geen schriftelijke overeenkomst overgelegd die voldoet aan het bepaalde in artikel 1.52 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. De rechtbank heeft het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellante] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en vecht dit in hoger beroep aan.</para>
    <para />
    <para>2.    Bij besluit van 5 januari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2014 definitief berekend en vastgesteld op € 7.657,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daarmee alsnog een bedrag van € 3.719,00 aan kinderopvangtoeslag toegekend voor de via het [gastouderbureau B] genoten opvang over de periode van januari tot en met maart 2014. De dienst is aldus volledig tegemoet gekomen aan het hoger beroep van [appellante]. Dit betekent dat [appellante] geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar zaak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.</para>
    <para />
    <para>3.    Nu de Belastingdienst/Toeslagen met het besluit van 5 januari 2018 geheel aan [appellante] tegemoet is gekomen, ziet de Afdeling aanleiding de Belastingdienst/Toeslagen op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.</para>
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para />
    <para>I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;</para>
    <para />
    <para>II. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.254,50 (zegge: tweeduizendtweehonderdvierenvijftig euro en vijftig eurocent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    <para />
    <para>III. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 296,00 (zegge: tweehonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.</para>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.</para>
    <para />
    <para>w.g. Verheij    w.g. Van Dokkum</para>
    <para>lid van de enkelvoudige kamer    griffier</para>
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2018</para>
    <para />
    <para>480-854.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>