<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2013:BZ2797</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T04:08:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ2797</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201201291/1/V3</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011823&amp;artikel=18&amp;g=2013-02-25">Vreemdelingenwet 2000 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011823&amp;artikel=19&amp;g=2013-02-25">Vreemdelingenwet 2000 19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JV 2013/150</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2013:BZ2797">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2013:BZ2797</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:52:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2013:BZ2797 Raad van State , 25-02-2013 / 201201291/1/V3</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2013:BZ2797:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het door de staatssecretaris in het besluit van 12 mei 2011 ingenomen standpunt, dat het bestaan van de polygame situatie zou hebben geleid tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag, vindt geen grondslag in het beleid, zoals hiervoor onder 3.1. weergegeven. Nu in voormeld besluit, anders dan een verwijzing naar niet nader gespecificeerd beleid, verder niet is toegelicht op grond waarvan die aanvraag wegens het bestaan van de polygame situatie zou zijn afgewezen, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat is voldaan aan het bepaalde in art. 19, bezien in verbinding met art. 18, lid 1, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De Rb. heeft dit niet onderkend</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2013:BZ2797:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>201201291/1/V3.</para>
      <para>Datum uitspraak: 25 februari 2013</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>RAAD VAN STATE</para>
      <para>AFDELING</para>
      <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[de vreemdeling],</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 januari 2012 in zaak nr. 11/16820 in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>de vreemdeling</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 9 februari 2011 heeft de minister de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 12 mei 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.</para>
    <para />
    <para>Bij uitspraak van 5 januari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.  </para>
    <para />
    <para>De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Overwegingen</para>
      <para>1.	Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Bij besluit van 9 februari 2011 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'Verblijf bij echtgenote [naam 1]' met terugwerkende kracht ingetrokken. Voorts heeft de staatssecretaris bij dit besluit de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'Voortgezet verblijf' met terugwerkende kracht ingetrokken. 	Aan voormeld besluit heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Ten tijde van de indiening van die aanvraag - 6 maart 2000 - had de vreemdeling dienen aan te geven dat hij op dat moment nog met zijn in Marokko verblijvende echtgenote, [naam 2], was gehuwd. Om voor de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking te komen, diende hij met de echtgenote bij wie verblijf hier te lande werd beoogd een duurzame en exclusieve relatie te onderhouden. Aan deze eis werd, gelet op het bestaan van de polygame situatie, niet voldaan, aldus de staatssecretaris.</para>
      <para>	In het besluit van 12 mei 2011 heeft de staatssecretaris zich, in aanvulling op het voorgaande, onder verwijzing naar beleid, zonder vermelding van de vindplaats daarvan, op het standpunt gesteld dat het bestaan van de polygame situatie zou hebben geleid tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.	De vreemdeling klaagt in de grieven, in hun onderlinge samenhang bezien, onder meer dat de rechtbank, door te overwegen dat hij ten tijde van de indiening van de oorspronkelijke aanvraag geen duurzame en exclusieve relatie met [naam 1] onderhield, niet heeft onderkend dat die aanvraag niet wegens het bestaan van de polygame situatie zou zijn afgewezen. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat niet is voldaan aan de vereisten voor intrekking van de verblijfsvergunning, aldus de vreemdeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.	Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid.</para>
      <para>	Ingevolge artikel 19 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b.</para>
      <para>	In het in paragraaf B1/1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 1994 neergelegde beleid betreffende polygamie, zoals dat luidde ten tijde van de indiening van de oorspronkelijke aanvraag, (hierna: het beleid) staat het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"In alle gevallen waarin sprake is of is geweest van een polygame situatie, kan er maar één vrouw en de uit haar geboren minderjarige kinderen worden toegelaten tot Nederland. Voor andere vrouwen waarmee ooit een polygame situatie is geweest en de uit haar geboren kinderen geldt dat zij niet in aanmerking kunnen komen voor toelating, ook niet als ten tijde van hun komst naar Nederland nog slechts sprake is van één huwelijk.</para>
      <para>Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, wordt geen verblijf toegestaan aan de wettelijke echtgenote en eventuele andere gezinsleden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.	Het door de staatssecretaris in het besluit van 12 mei 2011 ingenomen standpunt, dat het bestaan van de polygame situatie zou hebben geleid tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag, vindt geen grondslag in het beleid, zoals hiervoor onder 3.1. weergegeven. Nu in voormeld besluit, anders dan een verwijzing naar niet nader gespecificeerd beleid, verder niet is toegelicht op grond waarvan die aanvraag wegens het bestaan van de polygame situatie zou zijn afgewezen, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 19, bezien in verbinding met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De rechtbank heeft dit niet onderkend.</para>
      <para>	De grieven slagen in zoverre.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van </para>
      <para>12 mei 2011 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.	De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
    <para />
    <para>Recht doende in naam der Koningin:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>I.	verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
      <para>II.	vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 januari 2012 in </para>
      <para>zaak nr. 11/16820;</para>
      <para>III.	verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;</para>
      <para>IV.	vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie en Asiel van 12 mei 2011, kenmerk 0006-16-2018;</para>
      <para>V.	veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.880,00 (zegge: achttienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;</para>
      <para>VI.	gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, ambtenaar van staat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Parkins-de Vin</para>
      <para>voorzitter	w.g. Den Dulk</para>
      <para>ambtenaar van staat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2013</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>565-714.</para>
      <para>Verzonden: 25 februari 2013</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift,</para>
      <para>de secretaris van de Raad van State,</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>mr. H.H.C. Visser</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>