<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2012:BY5573</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-05T00:41:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY5573</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201112285/1/V2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5793" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#meerdere afhandelingswijzen">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5793, Meerdere afhandelingswijzen</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2012:BY5573">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2012:BY5573</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:15:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2012:BY5573 Raad van State , 30-11-2012 / 201112285/1/V2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2012:BY5573:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2012:BY5573:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>201112285/1/V2.</para>
      <para>Datum uitspraak: 30 november 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>RAAD VAN STATE</para>
      <para>AFDELING</para>
      <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 18 november 2011 in zaak nrs. 11/34275 en 11/34273 in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[de vreemdeling]</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de minister.</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.</para>
      <para>Bij uitspraak van 18 november 2011 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. </para>
      <para>De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegingen</para>
      <para>1. In de enige grief voert de minister, samengevat weergegeven, aan dat de voorzieningenrechter in het licht van hetgeen door de vreemdeling in beroep is aangevoerd ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zich in Afghanistan in het algemeen en de provincie Uruzgan in het bijzonder niet de situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bescherming biedt. De minister verwijst hiertoe naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Husseini tegen Zweden van 13 oktober 2011, nr. 10611/09, (www.echr.coe.int/echr en JV 2012/2) en de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2011 in zaak nr. 201002738/1/V2 (www.raadvanstate.nl).</para>
      <para>1.1. De voorzieningenrechter heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de minister bij zijn standpunt dat zich in Uruzgan niet de situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000, bescherming biedt, niet heeft kunnen verwijzen naar het arrest van het EHRM. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat uit het arrest niet kan worden afgeleid dat het EHRM van oordeel is dat zich in geen enkel gebied in Afghanistan de situatie voordoet als hiervoor bedoeld.</para>
      <para>1.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 14 november 2011 en de uitspraak van 16 februari 2012 in zaak nr. 201113076/1/V2, www.raadvanstate.nl) volgt dat de Afdeling het arrest van 13 oktober 2011 aldus verstaat, dat zich tot dat moment nergens in Afghanistan de situatie voordeed waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000, bescherming biedt, in welke situatie de terugkeer van iedere vreemdeling zou leiden of zou hebben geleid tot een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. </para>
      <para>1.3. De enkele omstandigheid dat de voorzieningenrechter blijkens de aangevallen uitspraak een andere uitleg van het arrest voorstaat dan de Afdeling, leidt   wat daarvan ook zij   niet tot het oordeel dat de door de minister in het besluit van 24 oktober 2011 neergelegde en ter zitting bij de rechtbank toegelichte, motivering ontoereikend is. Nu voorts de stukken waarnaar de vreemdeling ter toelichting van zijn stelling over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan heeft verwezen en waarop de minister ter zitting bij de rechtbank is ingegaan, alle dateren van vóór de uitspraak van 14 november 2011, volgt hieruit reeds dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich in Afghanistan in het algemeen en in Uruzgan in het bijzonder op 24 oktober 2011 niet de situatie voordeed waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000, bescherming biedt. </para>
      <para>1.4. Naast het onder 1.1. weergegeven motiveringsgebrek, heeft de rechtbank de vernietiging van het besluit van 24 oktober 2011 gebaseerd op de toepassing door de minister van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Nu dit in hoger beroep door de minister niet bestreden onderdeel van de aangevallen uitspraak zelfstandig de vernietiging van voormeld besluit kan dragen, kan hetgeen hiervoor is overwogen niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.</para>
      <para>2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. </para>
      <para>3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Beslissing</para>
      <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Recht doende in naam der Koningin:</para>
    <para />
    <para>verklaart het hoger beroep gegrond.</para>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Lubberdink</para>
      <para>voorzitter	w.g. Wolff</para>
      <para>ambtenaar van staat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2012</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>238.</para>
      <para>Verzonden: 30 november 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift,</para>
      <para>de secretaris van de Raad van State,</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>mr. H.H.C. Visser</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>