<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2012:BW7277</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T05:27:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW7277</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-05-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201204373/3/V2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5217" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5217</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:81">Algemene wet bestuursrecht 8:81</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011823">Vreemdelingenwet 2000</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011823&amp;artikel=108">Vreemdelingenwet 2000 108</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JV 2012/314</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2012:BW7277">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2012:BW7277</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:15:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2012:BW7277 Raad van State , 21-05-2012 / 201204373/3/V2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2012:BW7277:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling strafbaar is of wordt uitgezet gedurende de behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep. De enkele omstandigheid dat het besluit van 30 maart 2012 voor uitvoering vatbaar is, levert geen spoedeisend belang op als bedoeld in art. 8:81 Awb. Bij dit oordeel is betrokken dat de enkele strafbaarheid van de vreemdeling ingevolge art. 108 Vreemdelingenwet 2000 wegens het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod geen spoedeisend belang oplevert en dat op dit moment niet duidelijk is dat en zo ja, op welke termijn uitzetting zal plaatsvinden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2012:BW7277:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>201204373/3/V2.</para>
      <para>Datum uitspraak: 21 mei 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Raad van State</para>
      <para>AFDELING</para>
      <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:</para>
      <para>(-),</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 24 april 2012 in zaak nrs. 12/10832 en 12/10831 in het geding tussen:</para>
      <para>de vreemdeling</para>
      <para>en</para>
      <para>de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>1.	Procesverloop</para>
      <para>Bij besluit van 30 maart 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.</para>
      <para>Bij uitspraak van 24 april 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard en zich onbevoegd verklaard van het tegen het inreisverbod ingestelde beroep kennis te nemen.</para>
      <para>Tegen deze uitspraak hebben de minister en de vreemdeling bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State binnengekomen op 27 april 2012, hoger beroepen ingesteld. Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Overwegingen</para>
      <para>2.1.	Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling strafbaar is of wordt uitgezet gedurende de behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep.</para>
      <para>	De enkele omstandigheid dat het besluit van 30 maart 2012 voor uitvoering vatbaar is, levert geen spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Bij dit oordeel is betrokken dat de enkele strafbaarheid van de vreemdeling ingevolge artikel 108 van de Vreemdelingenwet 2000 wegens het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod geen spoedeisend belang oplevert en dat op dit moment niet duidelijk is dat en zo ja, op welke termijn uitzetting zal plaatsvinden.</para>
      <para>2.2.	Indien de minister voornemens is om de uitzetting van de vreemdeling daadwerkelijk te effectueren, gaat de voorzitter er van uit dat hij – de gemachtigde van – de vreemdeling hierover tijdig zal informeren. </para>
      <para>2.3.	Het verzoek zal als kennelijk ongegrond worden afgewezen.</para>
      <para>2.4.	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>3.	Beslissing</para>
      <para>De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
      <para>wijst het verzoek af.</para>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Bijloos</para>
      <para>voorzitter	w.g. Bosma</para>
      <para>ambtenaar van staat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2012</para>
      <para>572.</para>
      <para>Verzonden: 21 mei 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift,</para>
      <para>de secretaris van de Raad van State,</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>mr. H.H.C. Visser</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>