<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2010:BO4085</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-08T12:46:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO4085</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">201009926/3/H1</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BA 2011/14</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2010:BO4085">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2010:BO4085</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:13:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-11-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2010:BO4085 Raad van State , 01-11-2010 / 201009926/3/H1</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2010:BO4085:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appèlverbod. Ook indien de voorzieningenrechter ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8:83, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om uitspraak te doen zonder zitting, betekent dat nog niet dat sprake is van een zodanige schending van fundamentele rechtsbeginselen en het recht op een eerlijk proces dat doorbreking van het appèlverbod gerechtvaardigd is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2010:BO4085:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>201009926/3/H1.</para>
      <para>Datum uitspraak: 1 november 2010</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>RAAD VAN STATE</para>
      <para>AFDELING</para>
      <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V. en [B] B.V., gevestigd te [plaats], </para>
      <para>appellanten (hierna in enkelvoud: [appellant]),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Hertogenbosch van 14 oktober 2010 in zaak nr. 10/3321 in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellant]</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>1. Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft het college aan Praxis Doe-het-Zelf Center B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een tuincentrum en bouwmarkt op het adres Hurksestraat 27 te Eindhoven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 8 oktober 2010 bezwaar gemaakt bij het college. </para>
      <para>Bij brief van gelijke datum heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij uitspraak van 14 oktober 2010 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.</para>
    <para />
    <para>Bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2010, heeft [appellant] voor zover hier van belang hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter. </para>
    <para />
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <para>2.1. De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Awb. Hiertegen kan, gelet op artikel 47, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Raad van State, geen hoger beroep worden ingesteld.</para>
    <para />
    <para>2.2. [appellant] betoogt dat er reden is voor doorbreking van het appèlverbod, omdat een fundamenteel rechtsbeginsel, het beginsel van hoor en wederhoor, evident is geschonden, nu de voorzieningenrechter een mondelinge behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening achterwege heeft gelaten. [appellant] heeft van bepaalde brieven, door de voorzieningenrechter in de uitspraak genoemd, geen kennis kunnen nemen en de voorzieningenrechter heeft niet naar behoren kennis kunnen nemen van het standpunt van [appellant]. Aangenomen mag worden, aldus [appellant], dat het college, gelet op het verhandelde in de uitspraak van de voorzieningenrechter, inhoudelijk standpunten heeft ingenomen die klaarblijkelijk een rol hebben gespeeld in de uitspraak van de voorzieningenrechter.  </para>
    <para />
    <para>2.3. Ook indien de voorzieningenrechter ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8:83, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om uitspraak te doen zonder zitting, betekent dat nog niet dat sprake is van een zodanige schending van fundamentele rechtsbeginselen en het recht op een eerlijk proces dat doorbreking van het appèlverbod gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college bij brief van 13 oktober 2010 slechts heeft bevestigd, dat vergunninghoudster heeft aangegeven na vrijdag 15 oktober 2010 geen werkzaamheden in het kader van de verleende omgevingsvergunning meer uit te voeren, totdat is beslist op het door [appellant] ingediende bezwaarschrift. De inhoud van deze brief betrof kennelijk een bevestiging van hetgeen een medewerker van de administratie van de sector bestuursrecht van de rechtbank telefonisch op 12 oktober 2010 aan [appellant] had medegedeeld naar aanleiding van een brief van diezelfde datum van het college, waarop [appellant] heeft aangegeven dat dit geen aanleiding vormde het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken. Nu de voorzieningenrechter slechts feiten aan de beslissing van 14 oktober 2010 ten grondslag heeft gelegd die bij [appellant] bekend waren en waarop [appellant] telefonisch heeft kunnen reageren, is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. Hetgeen [appellant] heeft betoogd is niet genoegzaam om het appèlverbod te doorbreken.  </para>
    <para />
    <para>2.4. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.</para>
    <para />
    <para>2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
    <para />
    <para>Recht doende in naam der Koningin:</para>
    <para />
    <para>verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van staat.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Slump</para>
      <para>voorzitter</para>
      <para>w.g. Schortinghuis</para>
      <para>ambtenaar van staat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2010</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht).</para>
      <para>- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.</para>
      <para>- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.</para>
      <para>- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>66.</para>
      <para>Verzonden: 1 november 2010</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift,</para>
      <para>de secretaris van de Raad van State,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>mr. H.H.C. Visser</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>