<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2010:BM3057</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T07:29:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM3057</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200909340/1/V2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011823">Vreemdelingenwet 2000</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011823&amp;artikel=18">Vreemdelingenwet 2000 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011825">Vreemdelingenbesluit 2000</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011825&amp;artikel=3.17">Vreemdelingenbesluit 2000 3.17</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JV 2010/225</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2010:BM3057">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2010:BM3057</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:20:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2010:BM3057 Raad van State , 26-04-2010 / 200909340/1/V2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2010:BM3057:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Feitelijk samenwonen / gemeenschappelijke huishouding / twijfel mag worden gebaseerd op tegenstrijdige verklaringen</para>
        <para>In aanmerking genomen dat reeds uit de in voormelde paragraaf van de Vc 2000 gebruikte woorden ‘ook’ en 'bijvoorbeeld' moet worden afgeleid dat hierin geen uitputtende opsomming is gegeven van omstandigheden waaruit kan blijken dat sprake is van feitelijk samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat twijfel bestaat of de vreemdeling en zijn echtgenote feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren, aangezien zij op een groot aantal punten tegenstrijdig, althans verschillend, hebben verklaard, terwijl redelijkerwijs mag worden verwacht dat partners die een gemeenschappelijke huishouding voeren, over aspecten van die huishouding eenduidig kunnen verklaren.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2010:BM3057:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>200909340/1/V2.</para>
      <para>Datum uitspraak: 26 april 2010</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Raad van State</para>
      <para>AFDELING</para>
      <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 3 november 2009 in zaak nr. 08/38395 in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[de vreemdeling]</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de staatssecretaris van Justitie.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1. Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 20 december 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 30 september 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.</para>
    <para />
    <para>Bij uitspraak van 3 november 2009, verzonden op 5 november 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 december 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. </para>
    <para />
    <para>De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit van 30 september 2008 onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling en zijn echtgenote geen gemeenschappelijke huishouding voeren op basis van kenmerken die daaraan gesteld plegen te worden.</para>
      <para>Daartoe betoogt de staatssecretaris dat tegenstrijdige verklaringen wel degelijk een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Gelet op de uitvoerige opsomming van tegenstrijdige verklaringen van de vreemdeling en zijn echtgenote, had de rechtbank tot de conclusie dienen te komen dat zij niet feitelijk samenwonen en geen gemeenschappelijke huishouding voeren, aldus de staatssecretaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.</para>
      <para>Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming verleend, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.</para>
      <para>Ingevolge artikel 3.17, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.</para>
      <para>Volgens paragraaf B2/2.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven, feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij dienen ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever, de belastingdienst en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.1.2. In het besluit van 30 september 2008 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat tussen de verklaringen van de vreemdeling en zijn echtgenote in de gehoren van 28 november 2006 ernstige tegenstrijdigheden zijn en dat gelet hierop tot de conclusie moet worden gekomen dat dient te worden getwijfeld aan de relatie van de vreemdeling en zijn echtgenote. Nu hieraan wordt getwijfeld is, volgens de staatssecretaris, niet voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend en heeft hij op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. </para>
    <para />
    <para>2.1.3. In aanmerking genomen dat reeds uit de in voormelde paragraaf van de Vc 2000 gebruikte woorden ‘ook’ en 'bijvoorbeeld' moet worden afgeleid dat hierin geen uitputtende opsomming is gegeven van omstandigheden waaruit kan blijken dat sprake is van feitelijk samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat twijfel bestaat of de vreemdeling en zijn echtgenote feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren, aangezien zij op een groot aantal punten tegenstrijdig, althans verschillend, hebben verklaard, terwijl redelijkerwijs mag worden verwacht dat partners die een gemeenschappelijke huishouding voeren, over aspecten van die huishouding eenduidig kunnen verklaren. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.</para>
    <para />
    <para>2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 30 september 2008 alsnog ongegrond.</para>
    <para />
    <para>2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para> </para>
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
    <para />
    <para>Recht doende in naam der Koningin:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>I. verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
      <para>II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 3 november 2009 in zaak nr. 08/38395;</para>
      <para>III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Lubberdink</para>
      <para>voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Zwemstra</para>
      <para>ambtenaar van Staat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2010</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>91-638.</para>
      <para>Verzonden: 26 april 2010</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift,</para>
      <para>de secretaris van de Raad van State,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>mr. H.H.C. Visser</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>