<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2010:BL7727</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-17T15:30:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BL7727</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200905002/1/H1</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2010:BL7727">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2010:BL7727</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:06:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2010:BL7727 Raad van State , 17-03-2010 / 200905002/1/H1</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2010:BL7727:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Slochteren (hierna: het college) aan [wederpartijen] een bouwvergunning tweede fase verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2010:BL7727:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>200905002/1/H1.</para>
      <para>Datum uitspraak: 17 maart 2010</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AFDELING</para>
      <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Slochteren,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 mei 2009 in zaak</para>
      <para>nr. 08/484 in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>[wederpartijen], beiden wonend te Groningen</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>appellant.</para>
    <para />
    <para>1. Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Slochteren (hierna: het college) aan [wederpartijen] een bouwvergunning tweede fase verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 25 april 2008 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning tweede fase ingetrokken.</para>
    <para />
    <para>Bij uitspraak van 29 mei 2009, verzonden op 1 juni 2009, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2008 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 augustus 2009.</para>
    <para />
    <para>[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door J.M. Boer en M.H. Kooistra, ambtenaren in dienst van de gemeente, bijgestaan door mr. J.H. Mastenboek, advocaat te Groningen, en [wederpartijen], bijgestaan door mr. A. Oldengarm, advocaat te Zwolle, zijn verschenen.</para>
      <para>Voorts is ter zitting [belanghebbende] als belanghebbende gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <para>2.1. Ingevolge artikel 56a, derde lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, mag slechts en moet de bouwvergunning tweede fase worden geweigerd, indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a of b, van toepassing is.</para>
    <para />
    <para>Ingevolge het achtste lid, voor zover thans van belang, delen, indien het bouwplan waarvoor de bouwvergunning eerste fase is verleend als gevolg van hun besluit omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase zodanige wijziging behoeft dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders wederom een toetsing aan de weigeringsgronden van de eerste fase noodzakelijk is, zij dit onverwijld mede aan de aanvrager van de bouwvergunning tweede fase. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase in te dienen. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van deze gelegenheid, is de bouwvergunning van rechtswege geweigerd met ingang van de dag na de dag waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken.</para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 56b, tweede lid, voor zover thans van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en toepassing is gegeven aan artikel 56a, achtste lid, tweede volzin. De aanhouding eindigt op de dag na de dag dat een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase is ingediend.</para>
    <para />
    <para>2.2. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bouwvergunning in haar geheel van rechtswege is geweigerd, nu sprake is van een discrepantie tussen de bouwvergunning eerste en tweede fase en [wederpartijen] niet hebben voldaan aan de hun bij brief van 13 augustus 2007 geboden gelegenheid een nieuwe aanvraag om bouwvergunning eerste fase in te dienen. Voorts betoogt het college dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bouwvergunning tweede fase terecht is ingetrokken bij het besluit op bezwaar.</para>
    <para />
    <para>2.2.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich in het besluit op bezwaar ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ingevolge artikel 56a, achtste lid, laatste volzin, van de Woningwet de bouwvergunning in haar geheel van rechtswege is geweigerd. Nu het college zich gedurende de bezwaarprocedure wederom op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan waarvoor bouwvergunning eerste fase is verleend als gevolg van zijn besluit omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase zodanige wijziging behoeft dat naar zijn oordeel wederom een toetsing aan de weigeringsgronden van de eerste fase noodzakelijk was, had het [wederpartijen] in de gelegenheid moeten stellen een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase in te dienen. Eerst indien [wederpartijen] niet van deze gelegenheid gebruik zouden hebben gemaakt, zou de bouwvergunning in haar geheel van rechtswege zijn geweigerd. Dat het college [wederpartijen] reeds bij brief van 13 augustus 2007 in de gelegenheid heeft gesteld een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase in te dienen, leidt niet tot een ander oordeel. [wederpartijen] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij naar aanleiding van deze brief gewijzigde bouwtekeningen hebben ingediend teneinde de discrepantie tussen het bouwplan waarvoor bouwvergunning eerste fase is verleend en het bouwplan waarvoor bouwvergunning tweede fase is aangevraagd weg te nemen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, volgt uit de brief van het college van 18 september 2007, waarin het [wederpartijen] heeft medegedeeld dat hun aanvraag om bouwvergunning tweede fase ontvankelijk is, en de bij besluit van 10 oktober 2007 verleende bouwvergunning tweede fase dat het college zich toen kennelijk op het standpunt heeft gesteld dat voormelde discrepantie niet meer bestond. De bij voormelde brief van 13 augustus 2007 gedane mededeling is daarmee komen te vervallen.</para>
    <para />
    <para>De omstandigheid dat het college naar aanleiding van het door [belanghebbende] gemaakte bezwaar van voormeld standpunt is teruggekomen, doet de bij brief van 13 augustus 2007 gedane mededeling niet herleven.</para>
    <para />
    <para>Uit het voorgaande volgt dat het college nadat het, beslissend in bezwaar, tot de conclusie was gekomen dat toch sprake was van een discrepantie als vorenbedoeld, [wederpartijen] opnieuw op de voet van artikel 56a, achtste lid, van de Woningwet in de gelegenheid had moeten stellen een gewijzigde bouwaanvraag eerste fase in te dienen, de verleende bouwvergunning tweede fase had moeten herroepen en bij gebreke van weigeringsgronden bedoeld in artikel 56a, derde lid, van de Woningwet, de beslissing omtrent de aanvraag om laatstgenoemde bouwvergunning ingevolge artikel 56b, tweede lid, van de Woningwet had moeten aanhouden. Door [wederpartijen] niet de hiervoor bedoelde gelegenheid te bieden en de bouwvergunning tweede fase in te trekken omdat voorafgaand aan de verlening daarvan de bouwvergunningen eerste en tweede fase al van rechtswege zouden zijn geweigerd, heeft het college, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, in strijd met artikel 56a, achtste lid, van de Woningwet gehandeld.</para>
    <para />
    <para>2.3. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ter zitting is vast komen te staan dat de wijzigingen in het bouwplan, zoals die blijken uit de bij de bouwaanvraag tweede fase behorende bouwtekeningen, maken dat het bouwplan in mindere mate afwijkt van het ter plaatse geldende bestemmingsplan dan het bouwplan waarvoor bouwvergunning eerste fase is verleend, zodat, zo er al sprake is van een discrepantie tussen de bouwplannen eerste en tweede fase, niet is gehandeld in strijd met de ratio van artikel 56a, achtste lid, van de Woningwet.</para>
    <para />
    <para>2.3.1. Dit betoog slaagt. Ter zitting is gebleken dat op de bij de bouwvergunning eerste fase behorende tekeningen een botenhuis in de vorm van een overkapping is opgenomen. Een klein gedeelte van deze overkapping bevindt zich buiten het op de plankaart opgenomen bouwvlak. Op de bij de bouwaanvraag tweede fase behorende tekeningen is deze overkapping verwijderd, maar is iets verderop een betonplaat met wandjes ten behoeve van de grondkering opgenomen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, staat niet vast dat deze wijziging in het bouwplan in mindere mate afwijkt van het bestemmingsplan dan het bouwplan waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning eerste fase is verleend. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de betonplaat met wandjes een grotere overschrijding van het op de plankaart aangegeven bouwvlak oplevert dan voormelde overkapping. Gelet op de op grond van artikel 56a, achtste lid, van de Woningwet in dezen aan het college toekomende beoordelingsvrijheid, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vanwege deze afwijking, het bouwplan waarvoor bouwvergunning eerste fase is verleend als gevolg van hun besluit omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase zodanige wijziging behoeft dat wederom een toetsing aan de weigeringsgronden van de eerste fase nodig is. De rechtbank heeft dit niet onderkend.</para>
    <para />
    <para>2.4. Het hoger beroep is gegrond. Nu de beslissing van de aangevallen uitspraak juist is, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.</para>
    <para />
    <para>2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
    <para />
    <para>Recht doende in naam der Koningin:</para>
    <para />
    <para>I. verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>II. bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para />
    <para>III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Slochteren griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.</para>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot</para>
      <para>voorzitter ambtenaar van Staat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010</para>
    <para />
    <para>531.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>