<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2006:AZ1595</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-22T10:21:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AZ1595</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200603287/1</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBAMS:2006:4670" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2006:4670, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2006:AZ1595">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2006:AZ1595</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-17T09:58:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2006:AZ1595 Raad van State , 16-10-2006 / 200603287/1</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2006:AZ1595:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 31 maart 2003 heeft appellant een aanvraag van [de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2006:AZ1595:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>200603287/1 .</para>
  <para>Datum uitspraak:  16 oktober  2006</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, appellant,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/24278 van de Rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 3 april 2006 in het geding tussen :</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>appellant.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Procesverloop</para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 31 maart 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling) om hem  een verblijfsvergunning  asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen . Dit besluit is aangehecht .</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 3 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank </para>
    <para>'s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het  daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen tien weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Tegen deze uitspraak  heeft de minister bij brief, bij de Raad van  State binnengekomen  op  1 mei 2006 , hoger beroep ingesteld . Deze brief  is aangehecht .</para>
    <para>Bij brief  van 22  mei 200 6  heeft de vreemdeling een reactie ingediend . Desgevraagd heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bij brief  van 24 juli 2006  de aan het individuele ambtsbericht  van 6 februari 2003  (hierna: het ambtsbericht )  ten grondslag liggende stukken overgelegd, ten  aanzien waarvan  hij op de voet van artikel 8:29 , eerste lid , van de Algemene  wet bestuursrecht  (hierna: de Awb )  heeft verzocht te bepalen dat uitsluitend  de Afdeling  kennis mag nemen van bepaalde gedeelten ervan.</para>
    <para>Op 9 augustu s  200 6  heeft de Afdelin g in een andere samenstelling  beslist dat de verzochte  beperking van kennisneming gerechtvaardigd is.</para>
    <para>Bij brieven van onderscheidenlijk  18 en 21 augustus 2006  hebben de minister en de vreemdeling toestemming , als bedoeld in het vijfde  lid van artikel 8:29 ,  van de Awb , verleend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vervolgens  is het onderzoek gesloten .</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>2 . Overwegingen</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.1 .	In de enige grief  klaagt de minster dat - samengevat weergegeven  - de rechtbank , door te overwegen dat het besluit van 31  maart 2003 ,  waarin de minister zich op het standpunt  heeft gesteld dat geen geloof  wordt gehecht aan het asielrelaas van de vreemdeling , niet kan worden  gedragen door het   ambtsbericht  van de Minister van Buitenlandse Zaken en de</para>
    <para>daaraan ten grondslag liggende stukken , een onjuiste uitleg heeft  gegeven aan de aan dat ambtsbericht ten grondslag liggende stukken .</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.1.1 .	Zoals de Afdelin g eerder heeft overwoge n  (onder meer in de uitspraak van  12   2001  in zaak no . 200103977/1 , A B 2001 , 359) , kan een ambtsbericht  van de Minister van Buitenlandse Zaken  worden aangemerkt  als een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van  de uitoefenin g  van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een  onpartijdige , objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen , onder  aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Bij het ontbreken van dergelijke aanknopingspunten is de rechterlijke toetsing in beginsel beperkt tot de vraag of een individueel ambtsbericht voldoet aan de voorwaarden, zoals hiervoor verwoord.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.1.2 .	Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het ambtsbericht niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dat de identiteit en hoedanigheid van de vertrouwenspersoon niet in de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken wordt aangeduid, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze slechts informatie heeft vergaard en weergegeven en niet de oorspronkelijke bron van informatie is. De rechtbank heeft miskend dat de Minister van Buitenlandse Zaken niet hoeft te bewijzen dat de ingeschakelde informanten objectief en onpartijdig zijn.</para>
    <para>Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de Minister van Buitenlandse Zaken het onderzoek niet conform de opdracht van de minister heeft uitgevoerd. Dat een door de vertrouwenspersoon in de Engelse taal opgesteld rapport en de Nederlandstalige weergave daarvan niet geheel op elkaar aansluiten, leidt niet tot een ander oordeel, nu in het Nederlandstalige onderzoeksverslag, behalve de inhoud van het Engelstalige rapport, tevens een mondelinge toelichting van de vertrouwenspersoon daarop en aanvullende informatie is verwerkt. Dit heeft de rechtbank eveneens miskend. De grief slaagt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.2.         Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.3.         Hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd, biedt, mede gelet op de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, waarvan de Afdeling op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis heeft genomen, geen concrete aanknopingspunten in vorenbedoelde zin, zodat ook daarin geen grond is gelegen voor het oordeel dat het ambtsbericht onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat bij het nemen van het in beroep bestreden besluit niet van de juistheid of volledigheid van de in het ambtsbericht vervatte informatie mocht worden uitgegaan. Hierbij is in aanmerking genomen dat de minister, na van de Minister van Buitenlandse Zaken inzage te hebben verkregen in de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, heeft geoordeeld dat evenbedoeld ambtsbericht wat betreft de inhoud en de procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de minister het besluit van 31 maart 2003 niet mede op dit ambtsbericht heeft mogen baseren en het asielrelaas van de vreemdeling, onder verwijzing naar die informatie, niet in redelijkheid als ongeloofwaardig heeft kunnen aanmerken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>2.4.	De Afdeling zal het inleidende beroep ongegrond verklaren.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.5. 	Voor een proceskostenveroordeling bestaat  geen aanleiding.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3. Beslissing</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Afdelin g bestuursrechtspraak van de Raad van  Stat e</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Recht doende in naam der  Koningin :</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>I.	verklaart het hoger beroep van de Minister  voor Vreemdelingenzaken en Integratie gegrond ;</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>II.                 vernietigt de uitspraak van de rechtbank  's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam  van 3 april 2006  in zaak no . AW B  03/24278 ;</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>III.	verklaart  het bij de rechtbank in die zaak ingestelde  beroep ongegrond .</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus vastgestel d door mr.  H.G. Lubberdink, Voorzitter ,  en mr.  M.G.J .  Parkins-de Vin en mr.  D. Roemers, Leden, in  tegenwoordighei d van mr. R.S.D.  Ramrattansing , ambtenaar van  Staat.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>w.g . Lubberdink	w.g .  Ramrattansing</para>
    <para>Voorzitter	ambtenaar van  Staat</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op  16 oktober  2006</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>40 8</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>