<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2004:AP4692</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T09:04:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AP4692</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2004-06-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200403615/1 en 200403615/2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2004:AP4692">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2004:AP4692</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T21:08:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2004:AP4692 Raad van State , 23-06-2004 / 200403615/1 en 200403615/2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2004:AP4692:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) [appellant], onder aanzegging van bestuursdwang, gelast een naamloos woonschip in de Noordvliet te Maasland, ter plaatse van de percelen, kadastraal bekend gemeente Maasland, sectie […], nrs […] zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen en over te brengen naar een plaats waar het woonschip niet in strijd met de verordening aanwezig is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2004:AP4692:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>200403615/1 en 200403615/2.</para>
      <para>Datum uitspraak: 23 juni 2004</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AFDELING</para>
      <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonend te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 april 2004 in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.</para>
    <para />
    <para>1.    Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) [appellant], onder aanzegging van bestuursdwang, gelast een naamloos woonschip in de Noordvliet te Maasland, ter plaatse van de percelen, kadastraal bekend gemeente Maasland, sectie […], nrs […] zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen en over te brengen naar een plaats waar het woonschip niet in strijd met de verordening aanwezig is.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>Bij uitspraak van 8 april 2004, verzonden op 9 april 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.</para>
      <para>Bij deze brief heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. van Eijk en D. de Grave, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.</para>
    <para />
    <para>2.    Overwegingen</para>
    <para />
    <para>2.1.        De voorzieningenrechter is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college wegens het overtreden van artikel 12 van de Verordening watergebieden en pleziervaart Zuid-Holland (hierna: de Vwp) in beginsel bevoegd is onder toepassing van bestuursdwang verwijdering van de woonboot te gelasten. </para>
    <para />
    <para>2.2.        Ook heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen uitzicht bestaat op legalisatie. Gelet op hetgeen in het Streekplan Zuid-Holland West is opgenomen moet worden vastgesteld dat het gebied waar de woonboot is gelegen niet voor verblijfsrecreatie is bedoeld.</para>
    <para />
    <para>2.3.        Voorts is de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.</para>
    <para />
    <para>2.4.        De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.</para>
    <para />
    <para>2.5.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2.6.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>3.    Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
    <para />
    <para>Recht doende in naam der Koningin:</para>
    <para />
    <para>I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para />
    <para>II.    wijst het verzoek af.</para>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Bakker</para>
      <para>Voorzitter    ambtenaar van Staat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2004</para>
    <para />
    <para>91.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>