<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:2001:AD3842</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T12:44:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AD3842</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-08-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200103264/1</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011823&amp;artikel=69&amp;g=2001-08-07">Vreemdelingenwet 2000 69</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JV 2001/259</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2001:AD3842">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2001:AD3842</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T17:16:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:2001:AD3842 Raad van State , 07-08-2001 / 200103264/1</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:2001:AD3842:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:2001:AD3842:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>200103264/1.</para>
      <para>Datum uitspraak: 7 augustus 2001</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AFDELING</para>
      <para>BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te</para>
      <para>‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 26 juni 2001 in het</para>
      <para>geding tussen:</para>
      <para>appellant</para>
      <para>en</para>
      <para>de Staatssecretaris van Justitie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Procesverloop</para>
      <para>Bij besluit van 8 juni 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna:</para>
      <para>staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning</para>
      <para>asiel te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.</para>
      <para>Bij uitspraak van 26 juni 2001, verzonden op 27 juni 2001, heeft de</para>
      <para>president van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage,</para>
      <para>nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: president), het daartegen door</para>
      <para>appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is</para>
      <para>aangehecht.</para>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State</para>
      <para>binnengekomen op 3 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is</para>
      <para>aangehecht.</para>
      <para>Bij brief van 10 juli 2001 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.</para>
      <para>De Afdaling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2001, waar</para>
      <para>appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.J.A. Leijen, advocaat te</para>
      <para>Alkmaar, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E. Brakke,</para>
      <para>ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Overwegingen</para>
      <para>2.1. Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000</para>
      <para>(hierna: Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een</para>
      <para>verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de</para>
      <para>Vw 2000, binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal</para>
      <para>uren worden afgewezen.</para>
      <para>Ingevolge artikel 3.1 17, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit</para>
      <para>2000 (hierna: Vb 2000) wordt, indien de staatssecretaris voornemens is een</para>
      <para>zodanige aanvraag binnen 48 proces-uren af te wijzen, het voornemen</para>
      <para>daartoe schriftelijk aan de vreemdeling uitgereikt.</para>
      <para>Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 wordt</para>
      <para>onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag</para>
      <para>in een aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 tot</para>
      <para>08.00 niet meetellen.</para>
      <para>2.2. Appellant betoogt terecht dat de president niet is ingegaan op de</para>
      <para>beroepsgrond dat de staatssecretaris bij de behandeling van en beslissing op</para>
      <para>zijn aanvraag in het aanmeldcentrum de daarvoor beschikbare termijn heeft</para>
      <para>overschreden. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, omdat uit de stukken blijkt dat de beschikking op 8 juni 2001 om</para>
      <para>9.20 uur is uitgereikt, voordat om 15.00 uur de 48 beschikbare proces-uren</para>
      <para>waren verstreken. Dat toepassing van onderdeel C3/12 van de</para>
      <para>Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) mogelijk tot een andere</para>
      <para>berekening van het tijdstip, waarop de beschikking uiterlijk mocht worden</para>
      <para>uitgereikt, zou leiden, maakt dat niet anders. De Vw 2000 bepaalt dat het</para>
      <para>aantal uren dat beschikbaar is voor het behandelen van en beslissen op een</para>
      <para>aanvraag in een aanmeldcentrum bij algemene maatregel van bestuur wordt</para>
      <para>bepaald. Van de daarbij gestelde termijn kan niet rechtsgeldig bij die</para>
      <para>circulaire worden afgeweken.</para>
      <para>2.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een</para>
      <para>aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als</para>
      <para>bedoeld in artikel 28, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk</para>
      <para>heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op</para>
      <para>zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening</para>
      <para>vormen.</para>
      <para>Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het</para>
      <para>onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de</para>
      <para>vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren</para>
      <para>dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de</para>
      <para>beoordeling van zijn aanvraag, tenzij deze aannemelijk kan maken dat het</para>
      <para>ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.</para>
      <para>2.4. De tweede grief klaagt dat de president blijkens overweging 4 van</para>
      <para>de aangevallen uitspraak ten onrechte het asielrelaas onaannemelijk acht,</para>
      <para>omdat hij het reisverhaal onaannemelijk acht. Naar aanleiding van deze grief</para>
      <para>wordt volstaan met de overweging dat in het midden kan blijven of deze</para>
      <para>overweging juist is, omdat de bij de president bestreden beschikking niet op</para>
      <para>die overweging is gebaseerd en de president die beschikking op dat punt</para>
      <para>terecht in stand heeft gelaten. De grief faalt.</para>
      <para>2.5. Appellant betoogt in de derde plaats dat de president de</para>
      <para>beoordeling of de aanvraag geschikt was om in een aanmeldcentrum te</para>
      <para>worden afgedaan, niet op juiste wijze heeft getoetst.</para>
      <para>2.5.1. De president heeft inderdaad ten onrechte overwogen dat de</para>
      <para>aanvraag van appellant in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen,</para>
      <para>omdat in redelijkheid buiten twijfel is dat bij terugzending van appellant naar</para>
      <para>het land van herkomst geen gevaar voor vervolging dan wel schending van</para>
      <para>artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en</para>
      <para>de fundamentele vrijheden (EVRM) bestaat. Appellant is daarmee echter in</para>
      <para>elk geval niet tekort gedaan.</para>
      <para>Bij de beoordeling of een aanvraag geschikt is om in een</para>
      <para>aanmeldcentrum te worden afgewezen, gaat het er louter om of de</para>
      <para>staatssecretaris voornemens is om dat binnen 48 uur te doen. Deze hoeft</para>
      <para>van dit voornemen slechts af te zien, indien meer tijd nodig is om tot een</para>
      <para>beslissing te komen. Indien een vreemdeling in beroep betoogt dat nader</para>
      <para>onderzoek nodig was en zijn aanvraag daarom niet in een aanmeldcentrum</para>
      <para>mocht worden afgewezen, dient hij concreet aan te gaven, wat zijns inziens</para>
      <para>nader onderzocht moest worden en waarom dat onderzoek nodig was om tot</para>
      <para>een juiste beslissing te kunnen komen. Appellant heeft echter slechts in</para>
      <para>algemene zin abstracte klachten geuit tegen de aanmeldcentrumprocedure.</para>
      <para>Het aangevoerde kan daarom niet tot vernietiging van de aangevallen</para>
      <para>uitspraak leiden.</para>
      <para>2.6. Het betoog van appellant tenslotte dat de president ten onrechte</para>
      <para>heeft overwogen dat de effectiviteit van de procedure niet in het geding is,</para>
      <para>omdat hij ten volle toetst aan artikel 3 van het EVRM, kan evenmin tot</para>
      <para>vernietiging leiden. Ook dit betoog ontbeert concrete, op zijn geval</para>
      <para>toegespitste, argumenten, op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de</para>
      <para>behandeling en afwijzing van de aanvraag van appellant in het</para>
      <para>aanmeldcentrum tot schending van het bepaalde in artikel 3. gelezen in</para>
      <para>samenhang met artikel 13 van het EVRM, heeft geleid.</para>
      <para>2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij</para>
      <para>het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.</para>
      <para>2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Beslissing</para>
      <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
      <para>Recht doende in naam der Koningin:</para>
      <para>bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter,</para>
      <para>en mr. M. Vlasblom en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden,</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>