<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:1999:AA3707</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-21T10:13:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3707</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">H01.99.0100</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROE:1998:AA3561" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:1998:AA3561</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003391">Wet voorkeursrecht gemeenten</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/9</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:1999:AA3707">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:1999:AA3707</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:1999:AA3707 Raad van State , 18-11-1999 / H01.99.0100</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:1999:AA3707:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:1999:AA3707:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Raad van State</para>
      <para>478</para>
      <para>H01.99.0100.</para>
      <para>Datum uitspraak: 18 november 1999</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>A te B, gemeente C, appellant,</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 3 december 1998 in het geding tussen: appellant en burgemeester en wethouders van Roermond.</para>
    <para />
    <para>1 . Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 23 december 1997 hebben burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: burgemeester en wethouders) bekend gemaakt dat zij op 16 december 1997 op de voet van artikel 8a, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg)</para>
      <para>een voorstel aan de raad der gemeente Roermond (hierna: de raad) hebben gedaan tot het vestigen van een voorkeursrecht onder meer met betrekking tot een viertal aan appellant in eigendom toebehorende percelen gelegen in het gebied "[…]berg".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij besluit van 17 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders het door appellant hiertegen ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 3 december 1998, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en</para>
      <para>vastgesteld dat het besluit van 16 december 1997 van rechtswege nietig is. Deze uitspraak is aangehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 16 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 1999, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr Th.P.J. Hanssens, advocaat te Roermond en mr E.M.J.M. Donners, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mevrouw mr L.T.G. van den</para>
      <para>Bongard en mevrouw mr A.J.M. Sampers-Schlicher, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.      Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1.    Niet in geschil is dat burgemeester en wethouders bij hun voorstel</para>
      <para>van 16 december 1997 aan de raad om voor gronden in het gebied</para>
      <para>[…]berg een voorkeursrecht te vestigen, ten onrechte gebruik hebben</para>
      <para>gemaakt van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel Ba van de Wvg, nu</para>
      <para>het bestemmingsplan "[…]berg" op dat tijdstip reeds door de raad was</para>
      <para>vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.    Bij hun besluit van 17 maart 1998 hebben burgemeester en</para>
      <para>wethouders het tegen genoemd voorstel ingediende bezwaar van appellant</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard, overwegende dat het voorstel wegens het</para>
      <para>ontbreken van rechtsgevolg niet kan worden aangemerkt als een voor</para>
      <para>bezwaar vatbaar besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3.    De rechtbank heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld</para>
      <para>dat de brief van 16 december 1997 moet worden aangemerkt als een besluit</para>
      <para>in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen op grond van</para>
      <para>deze wet bezwaar kan worden gemaakt. De rechtbank heeft daarbij terecht</para>
      <para>betekenis gehecht aan het feit dat de Wvg, onder meer in artikel 8a, tweede</para>
      <para>lid, aan een voorstel ingevolge dat artikel rechtsgevolg verbindt en dat</para>
      <para>burgemeester en wethouders voorts klaarblijkelijk ook hebben beoogd om</para>
      <para>met toepassing van artikel 8a van de Wvg aan de gemeenteraad voor te</para>
      <para>stellen een besluit te nemen op grond van de artikelen 2 en 8 van die wet.</para>
      <para>De rechtbank heeft derhalve terecht het beroep van appellant gegrond</para>
      <para>verklaard en het besluit van 17 maart 1998 vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.    Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich tevens op het</para>
      <para>standpunt gesteld dat het primaire besluit van 16 december 1997 van</para>
      <para>rechtswege nietig is.</para>
      <para>Van nietigheid van rechtswege kan echter slechts in zeer bijzondere gevallen</para>
      <para>worden uitgegaan. Uit de wetsgeschiedenis van de Wvg blijkt dat in de</para>
      <para>gevallen waarin - door het verstrijken van de termijn van 8 weken, bedoeld in</para>
      <para>artikel Ba, derde lid, aanhef en onder d - de wettelijke basis van het</para>
      <para>voorkeursrecht is ontvallen, dit voorkeursrecht daardoor niet ophoudt te</para>
      <para>bestaan, doch pas vervalt wanneer burgemeester en wethouders daartoe</para>
      <para>actie ondernemen, te weten door middel van het plaatsen van een</para>
      <para>aantekening bij de bij de gemeentesecretarie ter inzage liggende stukken en</para>
      <para>het mededelen aan de betrokkenen en aan de Dienst voor het kadaster en de</para>
      <para>openbare registers, ter overschrijving in de openbare registers. Er is</para>
      <para>uitdrukkelijk niet gekozen voor een vervallen van rechtswege in verband met</para>
      <para>de niet-aanvaardbare onzekerheid die zou ontstaan ten aanzien van de vraag</para>
      <para>of het voorkeursrecht nog bestaat of niet.</para>
      <para>Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat in het zich hier voordoende geval</para>
      <para>nietigheid niet het gevolg zou zijn van het - naar buiten toe kenbare -</para>
      <para>verlopen van termijnen, doch van een onjuiste wetstoepassing door</para>
      <para>burgemeester en wethouders.</para>
      <para>Van nietigheid van rechtswege van het primaire besluit is geen sprake. De</para>
      <para>aangevallen uitspraak dient daarom in zoverre te worden vernietigd en het</para>
      <para>besluit van 16 december 1997 wordt herroepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5.    Appellant heeft aangevoerd schade te hebben geleden als gevolg</para>
      <para>van de - naar zijn mening evident onrechtmatige - besluitvorming van</para>
      <para>burgemeester en wethouders, onder meer bestaande uit kosten voor het</para>
      <para>voeren van procedures in het kader van het indienen van zienswijzen en</para>
      <para>bezwaar, tot een bedrag van f 28.965,70, alsmede uit kosten die hij heeft</para>
      <para>gemaakt door het feit dat hij door de vestiging van het voorkeursrecht geen</para>
      <para>onderhandelingen heeft kunnen voeren met potentiële kopers, tot een bedrag</para>
      <para>van circa f 5000,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.6.    Voorop staat dat burgemeester en wethouders appellant bij brief</para>
      <para>van 2 februari 1998 ervan op de hoogte hebben gesteld dat het voorstel om</para>
      <para>op zijn gronden een voorkeursrecht te vestigen van de agenda van de</para>
      <para>gemeenteraad van 29 januari 1998 is afgevoerd omdat het, wegens het feit</para>
      <para>dat voor het gebied reeds een bestemmingsplan was vastgesteld, niet</para>
      <para>mogelijk was om een besluit op basis van artikel 8a van de Wvg te nemen.</para>
      <para>Op 10 februari 1998 is hiervan in de Staatscourant mededeling gedaan.</para>
      <para>Hieruit vloeit voort dat uitsluitend aan de orde zijn kosten die zijn gemaakt in</para>
      <para>het tijdvak van eind december 1997 tot begin februari 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.7.    Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand die in de genoemde</para>
      <para>periode zijn gemaakt overweegt de Afdeling dat, naar zij onder meer in haar</para>
      <para>uitspraak van 22 oktober 1998, inzake no. H01.97.0352 (NA 1998, 392)            o</para>
      <para>heeft overwogen, de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten van</para>
      <para>rechtsbijstand in beginsel voor rekening van de belanghebbende moeten</para>
      <para>blijven en slechts in bijzondere gevallen langs de weg van artikel 8:73 van de</para>
      <para>Awb voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Van een bijzonder geval</para>
      <para>als hier bedoeld is niet gebleken. Weliswaar staat vast dat burgemeester en</para>
      <para>wethouders door bij het nemen van het primaire besluit ten onrechte gebruik</para>
      <para>te maken van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 8a van de Wvg een</para>
      <para>onrechtmatig besluit hebben genomen, doch de Afdeling ziet geen aanleiding</para>
      <para>voor het oordeel dat zij dat besluit tegen beter weten in hebben genomen.</para>
      <para>2.8.    De periode gedurende welke appellant in redelijkheid in de</para>
      <para>veronderstelling heeft kunnen verkeren dat op zijn percelen een</para>
      <para>voorkeursrecht van de gemeente rustte, is kort geweest.</para>
      <para>Het bestaan van de schadepost van f 5000,-- is derhalve geenszins</para>
      <para>aannemelijk geworden. Zo voor het overige al sprake is geweest van kosten</para>
      <para>in die periode, is niet aangetoond dat het hier noodzakelijke kosten betreft</para>
      <para>die een rechtstreeks verband houden met het primaire besluit van</para>
      <para>burgemeester en wethouders.</para>
      <para>2.9.    De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding ex artikel</para>
      <para>8:73 van de Awb dan ook terecht, zij het op andere gronden, afgewezen.</para>
      <para>2.10.   Naar de rechtbank terecht heeft opgemerkt, laat het feit dat in het</para>
      <para>kader van het hier aan de orde zijnde besluit geen aanleiding wordt gezien</para>
      <para>voor een veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73</para>
      <para>onverlet, dat het bestuursorgaan zich gehouden zou mogen voelen aan het</para>
      <para>uitkeren van de financiële tegemoetkoming die appellant is aangeboden in de</para>
      <para>brief van 12 mei 1998.</para>
      <para>2.11.   Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te</para>
      <para>worden vernietigd, voorzover daarbij het primaire besluit nietig is verklaard</para>
      <para>en voor het overige, zij het met gedeeltelijke verbetering van gronden, te</para>
      <para>worden bevestigd. Zoals hiervoor is aangegeven, wordt het primaire besluit</para>
      <para>herroepen.</para>
      <para>2.12.   Burgemeester en wethouders van Roermond dienen op na te</para>
      <para>melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.  Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</para>
    <para />
    <para>Recht doende in naam der Koningin:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>I       verklaart het hoger beroep van appellant gegrond;</para>
      <para>II      vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te</para>
      <para>   Roermond van 3 december 1998, 98/400 BELEI K1, voor zover</para>
      <para>   daarbij het primaire besluit van 16 december 1997 nietig is</para>
      <para>   verklaard;</para>
      <para>III     bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>IV      herroept het besluit van burgemeester en wethouders van 16</para>
      <para>   december 1997, no. 105;</para>
      <para>V       veroordeelt burgemeester en wethouders van Roermond in de door</para>
      <para>   appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep</para>
      <para>   gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.420,00, welk</para>
      <para>   bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig</para>
      <para>   verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente</para>
      <para>   Roermond te worden betaald aan appellant;</para>
      <para>VI      gelast dat de gemeente Roermond aan appellant het door hem voor</para>
      <para>   de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (f 315,--)</para>
      <para>   vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr J.A.E. van der Does. Voorzitter, en mr J.J.H. Suyver en mr F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Van der Does       w.g. Zijlstra</para>
      <para>Voorzitter      ambtenaar van Staat</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 18 november 1999</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>43-240. Verzonden:</para>
    <para />
    <para>Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>