<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RVS:1999:AA3684</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T03:15:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3684</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_State" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van State</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">H01.99.0462/2</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:1999:AA3684">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:1999:AA3684</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RVS:1999:AA3684 Raad van State , 08-10-1999 / H01.99.0462/2</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RVS:1999:AA3684:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RVS:1999:AA3684:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>448 / Raad van State</para>
      <para>H01.99.0462/2.</para>
      <para>Datum uitspraak: 8 oktober 1999</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de </para>
      <para>Raad van State op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A te B,</para>
      <para>verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 9 maart </para>
      <para>1999 in het geding tussen: verzoeker en de Algemene Raad van de </para>
      <para>Nederlandse Orde van Advocaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1 . Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 september 1998 heeft de Raad van Toezicht der Orde van </para>
      <para>Advocaten (hierna: de Raad van Toezicht) het verzoek van verzoeker om </para>
      <para>vrijstelling te verlenen van de verplichting van een advocaat om als </para>
      <para>stagiaire bij een patroon kantoor te houden alsmede een patroon aan te </para>
      <para>wijzen, afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 oktober 1998 heeft de Algemene Raad van de Nederlandse </para>
      <para>Orde van Advocaten (hierna: de Algemene Raad) het tegen dat besluit bij </para>
      <para>hem ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de zaak </para>
      <para>terugverwezen naar de Raad van Toezicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 9 maart 1999, verzonden op 11 maart 1999, heeft de </para>
      <para>arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het hiertegen </para>
      <para>ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing van de </para>
      <para>Algemene Raad vernietigd en hem opgedragen binnen zes weken na </para>
      <para>verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 26 maart 1999, bij de </para>
      <para>Raad van State ingekomen op 30 maart 1999, hoger beroep ingesteld. Bij </para>
      <para>brief van 30 augustus 1999, bij de Raad van State ingekomen op 31 </para>
      <para>augustus 1999, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige </para>
      <para>voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 september 1999, </para>
      <para>waar verzoeker, in persoon, en de Algemene Raad vertegenwoordigd door </para>
      <para>mevrouw mr. M. Duyser, gemachtigde, zijn verschenen. Tevens was ter </para>
      <para>zitting aanwezig mevrouw mr. A. Gerritsen-BosseIaar, lid van de Algemene </para>
      <para>Raad, tevens portefeuillehouder opleiding. De Raad van Toezicht is niet ter </para>
      <para>zitting verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1.In artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor</para>
      <para>zover hier van belang, is bepaald dat hoofdstuk 8 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (hierna: de Awb) van overeenkomstige toepassing is op het</para>
      <para>hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.Toepassing is gevraagd van artikel 8:81 van de Awb. Ingevolge dit</para>
      <para>artikel, voor zover hier van belang, is het mogelijk om op verzoek een</para>
      <para>voorlopige voorziening te treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de</para>
      <para>betrokken belangen, vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3.Het hoger beroep van verzoeker zal door de Afdeling op een op</para>
      <para>1 november 1999 te houden zitting worden behandeld. Verzoeker was</para>
      <para>hiermee bij het indienen van zijn verzoek om voorlopige voorziening </para>
      <para>bekend.</para>
      <para>In een situatie als deze kan er voor het in overweging nemen van het </para>
      <para>verzoek om een voorlopige voorziening eerst aanleiding bestaan, indien er </para>
      <para>tenminste sprake is van bijzondere, klemmende omstandigheden in verband </para>
      <para>waarmee het voor verzoeker onevenredig bezwaarlijk zou zijn een uitspraak </para>
      <para>ten principale te moeten afwachten. Van zodanige omstandigheden is de </para>
      <para>Voorzitter niet gebleken. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.4. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.</para>
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</para>
    <para />
    <para>Wijst het verzoek af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, als Voorzitter, in </para>
      <para>tegenwoordigheid van mr. J. Soons, ambtenaar van Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. Van der Does  w.g. Soons</para>
      <para>Voorzitter     ambtenaar van Staat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op  8 OKT. 1999</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>128-55.</para>
      <para>Verzonden 8 oktober 1999</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>