<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T10:21:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4266</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zwolle" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zwolle</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/4317</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1999-12-09">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4266">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:55:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4266 Rechtbank Zwolle , 09-12-1999 / AWB 99/4317</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4266:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWO:1999:AA4266:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE </para>
    <para> </para>
    <para>Sector Bestuursrecht Enkelvoudige Kamer </para>
    <para> </para>
    <para>Reg.nr.: AWB 99/4317 </para>
    <para> </para>
    <para>UITSPRAAK </para>
    <para> </para>
    <para>in het geschil tussen:  </para>
    <para />
    <para>A, geboren op 2 januari 1945 , wonende te B, eiseres, </para>
    <para />
    <para>en </para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam  (uitvoeringsinstelling: Cadans), verweerder. </para>
    <para> </para>
    <para>1. Aanduiding bestreden besluit </para>
    <para />
    <para>Besluit van verweerder d.d. 28 april 1999. </para>
    <para> </para>
    <para>2. Zitting </para>
    <para />
    <para>Datum: 18 november 1999. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen. </para>
    <para> </para>
    <para>3. De feiten en het verloop van de procedure </para>
    <para />
    <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in  werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen  1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de  betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden  van de bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze  uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van deze  bedrijfsvereniging. </para>
    <para />
    <para>Eiseres is op 14 september 1987 als verkoopster in dienst getreden bij Maxim v.o.f. te  Weesp. Met ingang van 9 januari 1995 is zij uit deze dienstbetrekking ontslagen. Terzake van dit  ontslag is haar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. </para>
    <para />
    <para>Bij schrijven van 12 januari 1995 heeft eiseres haar voormalige werkgever verzocht haar  met ingang van 12 januari 1995 ziek te melden bij verweerder. In verband met haar per 12 januari 1995 ingetreden ziekte heeft verweerder eiseres  ingaande genoemde datum ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. </para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 25 april 1996 heeft verweerder in aansluiting op de uitkering ingevolge de  ZW eiseres met ingang van 11 januari 1996 uitkeringen ingevolge de Algemene  Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (verder  te noemen: de AAW en de WAO) toegekend, berekend naar een mate van  arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Verweerder heeft hierbij het dagloon ingevolge de WAO bepaald op f 59,97. </para>
    <para />
    <para>Bij schrijven van 19 mei 1996 heeft eiseres verweerder bericht dat door haar juridische  stappen zijn ondernomen tegen haar voormalige werkgever omdat zij van mening is dat  zij ten onrechte minder loon betaald heeft gekregen dan het voor haar geldende loon  ingevolge de CAO levensmiddelen. Daarnaast is eiseres van oordeel dat zij 25 uur per  week werkzaam was, en niet 20 uur per week, zoals aangegeven in het rapport  inkomensonderzoek. </para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft toegezegd, wanneer zou komen vast te staan dat het rechtens  geldende loon hoger was, het dagloon alsnog te zullen aanpassen. Tegen deze  achtergrond heeft verweerder, daarnaar door eiseres gevraagd, aangegeven dat het niet  zinvol was tegen de - mogelijk te lage - dagloonvaststelling in beroep te gaan. </para>
    <para />
    <para>Bij vonnis van 30 juli 1997 heeft de Kantonrechter te Hilversum voor recht verklaard dat  op de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar voormalige werkgever de CAO voor  het levensmiddelen- bedrijf van toepassing was. In dit vonnis heeft de kantonrechter  tevens bepaald dat, gelet op de inhoud van de nadere arbeidsovereenkomst van 1 maart  1994, ervan moet worden  uitgegaan dat de tussen partijen overeengekomen  arbeidsduur 20 uur per week is. </para>
    <para />
    <para>Naar aanleiding van dit vonnis heeft verweerder bij besluit van 11 september 1997  besloten het dagloon ingevolge de WAO te herzien naar f 69,43. </para>
    <para />
    <para>Bij schrijven van 18 september 1997 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar  aangetekend. Hierbij heeft zij aangevoerd dat voor de berekening van het dagloon  uitgegaan moet worden van een gewerkt aantal uren van 25 per week. In aanvullende bezwaarschriften heeft eiseres nog aangevoerd dat eveneens rekening  gehouden dient te worden met de niet door de werkgever verleende arbeidstijdverkorting  en dat verweerder bij de berekening van het WAO-dagloon uitgegaan is van een 40-urige  werkweek terwijl het een 38-urige werkweek betrof. </para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 25 november 1997 heeft verweerder het dagloon ingevolge de ZW herzien  naar f 68,30, alsmede de ZW-uitkering met ingang van 1 januari 1996 in verband met de  indexering met 0,96% verhoogd. </para>
    <para />
    <para>Tegen dit besluit heeft eiseres eveneens bezwaar aangetekend. Op 16 februari 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft verweerder nog een nader onderzoek ingesteld  bij de voormalige werkgever naar het aantal door eiseres gewerkte uren. Uit dit  onderzoek zijn geen nieuwe gegevens naar voren gekomen waaruit zou blijken dat  eiseres meer dan 20 uur per week werkzaam was. </para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 28 mei 1998 heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaar tegen  de herziening van het WAO-dagloon ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 11 juni 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de  herziening van het ZW-dagloon ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen deze besluiten. </para>
    <para />
    <para>Bij schrijven van 28 september 1998 heeft eiseres verweerder aansprakelijk gesteld voor  de door haar gemaakte kosten in verband met het laten vaststellen van het rechtens  geldende loon en de geldende CAO, waarop haar uitkeringen ingevolge de ZW en de  AAW/WAO gebaseerd dienden te worden. Tevens heeft zij verweerder aansprakelijk gesteld voor de vertragingsschade en de  wettelijke rente. </para>
    <para />
    <para>Bij schrijven van 26 november 1998 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat in de  optiek van verweerder geen aanleiding is om de door eiseres geclaimde kosten te  vergoeden, aangezien naar het oordeel van verweerder geen sprake is geweest van  onrechtmatig c.q. onzorgvuldig handelen. Verweerder heeft dit standpunt neergelegd in het besluit van 2 december 1998. </para>
    <para />
    <para>Eiseres heeft bij schrijven van 6 januari 1999 bezwaar aangetekend tegen dit besluit. </para>
    <para />
    <para>Op 2 maart 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. </para>
    <para />
    <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>Eiseres heeft bij schrijven van 2 juni 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft desgevraagd op 2 augustus 1999 een verweerschrift en de op de zaak  betrekking hebbende stukken ingezonden. </para>
    <para />
    <para>Eiseres heeft bij schrijven van 2 november 1999 gereageerd op het verweerschrift.   </para>
    <para />
    <para>4. Motivering Bij de bestreden beslissing is gehandhaafd de afwijzing van het verzoek van eiseres om  schadevergoeding. De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of die beslissing kan worden  aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht  (Awb) en, zo ja, of tegen dat besluit kan worden opgekomen bij de bestuursrechter. Bij de beantwoording van de vraag of het hier een zogenaamd zuiver schadebesluit  betreft is van belang of verweerder het verzoek redelijkerwijs heeft kunnen opvatten als  een verzoek om zodanig besluit af te geven. </para>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    <para />
    <para>De schade hier in geding is, naar eiseres stelt, het gevolg van nalatigheid van  verweerder, daarin bestaande dat verweerder niet zelf eerst onderzoek heeft verricht  alvorens het dagloon vast te stellen. Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan een beslissing op een  verzoek om schadevergoeding eerst worden aangemerkt als een besluit in de zin van  artikel 1:3 van de Awb indien de schade het gevolg is van een andere publiekrechtelijke  rechtshandeling. Niet voldoende is dat de schade is veroorzaakt in het kader van de  publiekrechtelijk bevoegdheidsuitoefening. Het enkele nalaten van onderzoek kan niet als  rechtshandeling worden gekwalificeerd. De beslising op het verzoek om vergoeding van  de door de -gestelde- nalatigheid van verweerder geleden schade kan dan ook niet  worden aangemerkt als een besluit, zodat daartegen geen beroep op de bestuursrechter  openstaat. </para>
    <para />
    <para>Voorzover de stelling zou zijn dat de schade het gevolg is van het (zonder eigen  onderzoek van verweerder en dus onzorgvuldig genomen) besluit tot dagloonvaststelling  moet worden geconcludeerd dat dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden, zodat  het als rechtmatig heeft te gelden, zowel wat betreft de inhoud als de wijze van  totstandkoming. Dat zou alleen anders zijn indien verweerder de onrechtmatigheid ervan  zou erkennen, bijvoorbeeld door op dat besluit terug te komen. In dit geval heeft  verweerder naderhand het dagloon alsnog op een hoger bedrag vastgesteld. Gelet op de  omstandigheden van het geval is dat echter niet aan te merken als een erkenning dat de  eerdere dagloonvaststelling onrechtmatig zou zijn geweest maar als een tegemoetkomen  aan eiseres op grond van gewijzigde omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>Het vaststaan van de rechtmatigheid van het besluit tot dagloonvasstelling staat tevens in  de weg aan honorering van het verzoek om vergoeding van de vertragingsschade en de  wettelijke rente. </para>
    <para />
    <para>Derhalve moet van de weigering tot schadevergoeding worden geoordeeld hetzij dat  daartegen niet bij de bestuursrechter kan worden opgekomen omdat het geen besluit is  (aangezien de schadeoorzaak zelf geen besluit is) hetzij dat daartegen wel bij de  bestuursrechter kan worden opgekomen (want het betreft een beslissing inzake schade,  veroorzaakt door een dagloonbesluit) maar dat een dergelijke procedure zinloos is omdat  de recht- matigheid van het schadeveroorzakend besluit al vaststaat. </para>
    <para />
    <para>Waar op voorhand duidelijk kon zijn dat de in de Awb voorziene rechtsgang niet zal  kunnen leiden tot de door eiseres verlangde schadevergoeding heeft verweerder de  aansprakelijkstelling met verzoek om schadevergoeding redelijkerwijs niet kunnen  opvatten als een verzoek om een Awb-appellabel zuiver schadebesluit op  buitenwettelijke grondslag, te meer daar de bewoordingen van het verzoek geenszins  aanleiding geven te veronderstellen dat zulks wel de bedoeling van eiseres is geweest.  De beslissing van verweerder d.d. 2 december 1998 kan dan ook niet worden  aangemerkt als zodanig schadebesluit, zodat daartegen geen bezwaar kon worden  gemaakt op grond van de Awb. Het bezwaar had derhalve niet-ontvankelijk behoren te  worden verklaard. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit komt voor  vernietiging in aanmerking. </para>
    <para />
    <para>Nu uit het vorenoverwogene volgt dat slechts één beslissing op het bezwaarschrift  genomen kon worden, te weten niet-ontvankelijk verklaring, zal de rechtbank met  toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien. </para>
    <para />
    <para>De rechtbank acht geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten.  </para>
    <para> </para>
    <para>5. Beslissing </para>
    <para />
    <para>De rechtbank: </para>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden   besluit; - verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze   uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat het LISV aan eiseres het griffierecht ad f 60,-   vergoedt. </para>
    <para />
    <para>Gewezen door  mr H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 9 december 1999 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier. </para>
    <para> </para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger  beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van  verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak  te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. </para>
    <para />
    <para>afschrift verzonden op</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>