<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:998</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-05T10:23:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/443509 HO RK 25-932</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>INS-Updates.nl 2026-0046</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:998">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:998</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T09:22:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:998 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-01-2026 / C/02/443509 HO RK 25-932</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:998:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WHOA. Afwijzing afkoelingsperiode.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:998:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken – meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">verzoek afkoelingsperiode </emphasis>
      </para>
      <para>rekestnummer: C/02/443509 HO RK 25-932</para>
      <para>uitspraakdatum: 9 januari 2026 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>statutair gevestigd te [plaats] , </para>
      <para>hierna te noemen: [verzoekster]</para>
      <para>advocaten: mr. N.M. Dik en mr. A.S. Frommelt</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft op 24 december 2025 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft op 29 december 2025 ter griffie een verzoekschrift, met negen bijlagen, ingediend strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor een periode van drie maanden, en daarbij aangegeven dat een voorshandse beslissing noodzakelijk is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De door de rechtbank als zodanig aangemerkte belanghebbenden zijn door [verzoekster] gewezen op de mogelijkheid om deel te nemen aan de zitting en een zienswijze te geven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De heer [persoon 1] heeft op 6 januari 2026 namens zijn [opdrachtgever] B.V. een zienswijze ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De advocaat van [verhuurder] B.V. heeft op 6 januari 2026 een zienswijze ingediend en op 7 januari 2026 een aanvullende productie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft op verzoek van de rechtbank op 6 januari 2026 een liquiditeitsbegroting per week van [verzoekster] overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft op 8 januari 2026, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, zowel het verstekvonnis van 10 december 2025 van rechtbank Noord-Holland, sector kanton, tezamen met het ontruimingsbevel van het gehuurde te Alkmaar als het verstekvonnis van 5 november 2025 van rechtbank Noord-Holland, sector kanton, overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verzoek is op 8 januari 2026 in de raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen en gehoord:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">namens [verzoekster] :</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>- de heer [persoon 2] , CEO van [verzoekster] ; </para>
      <para>- de heer [persoon 3] , director van [verzoekster] ;</para>
      <para>- de heer [persoon 4] , accountant van [verzoekster] ;  </para>
      <para>- de heer [persoon 5] , HR van [verzoekster] ; </para>
      <para>- mr. A.S. Frommelt en mr. R.M. Dik, advocaten; </para>
      <para>- mr. R.M. van Ruth, kantoorgenoot van de advocaten als toeschouwer;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">namens [opdrachtgever] B.V., belanghebbende:</emphasis>
      </para>
      <para>- de heer [persoon 1] , beheerder van [opdrachtgever] B.V.; </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">namens [verhuurder] B.V., belanghebbende:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- </emphasis>de heer [persoon 6] ;</para>
      <para>- mr. R. Bressers en mr. S. Tilman, advocaten;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">namens [persoon 7] , belanghebbende:</emphasis>
      </para>
      <para>- mevrouw [persoon 8] , van [vastgoedprofessional] ;</para>
      <para>(mevrouw [persoon 7] luisterde aanvankelijk telefonisch mee en sloot later aan).  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. R.M. Dik spreekaantekeningen voorgedragen die zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft overgelegd. Mr. R.M. Dik heeft tijdens de mondelinge behandeling tevens een uitbreiding op de oorspronkelijke liquiditeitsbegroting van 6 januari 2026 overgelegd. Mr. R. Bressers heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd, maar heeft deze tijdens de mondelinge behandeling niet voorgedragen. Wel heeft mr. R. Bressers het standpunt van [verhuurder] B.V. nader toegelicht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.11.</nr>
      <para>De uitspraak is bepaald op vandaag.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] doet een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor de duur van drie maanden. [verzoekster] zegt toe dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw zal aanbieden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [verzoekster] onder meer het volgende naar voren gebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [verzoekster] exploiteert een onderneming in de verkoop van dameskleding vanuit 21 winkels in verschillende Nederlandse steden en via een webshop. De onderneming van [verzoekster] verkeert sinds 2022 in zwaar weer. Tijdens de COVID 19-periode is een daling in zowel de omzet als de marges ervaren, terwijl de operationele kosten toenamen. Daarnaast zijn huur-, energie- en personeelskosten blijvend toegenomen. Als gevolg van deze toenemende kosten zijn diverse winkellocaties structureel verlieslatend geworden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [verzoekster] beoogt een herstructurering bestaande uit een verlaging van de schuldenlast door middel van een crediteurenakkoord onder de WHOA, het sluiten van een aantal winkels en daarmee de beëindiging van een aantal huurovereenkomsten (waarvan één al is beëindigd) en ontslag van een aantal werknemers. Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat zij - na de doorstart in 2024 vanuit het faillissement van [B.V.] - reeds verschillende maatregelen heeft genomen. Zo is onder andere maar een deel van de winkels overgenomen, is het hoofdkantoor proportioneel verkleind, het bedrijfsmodel getransformeerd naar pure distributie en is het assortiment uitgebreid om de omzet per klant te verhogen. Ook staat [verzoekster] op het punt om overeenkomsten te sluiten waarmee zij via shop-in-shops in een aantal grote warenhuizen in Nederland kan verkopen. Daar zal dan de sluiting van een aantal eigen winkels tegenover staan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Om de herstructurering te laten slagen, is het afkondigen van een afkoelingsperiode nodig, zodat verschillende verhuurders van winkelruimten geen executie- en ontruimingsmaatregelen kunnen treffen. Verschillende verhuurders hebben al rechtsmaatregelen getroffen, die zonder een afkoelingsperiode zullen leiden tot (voortijdige) ontruiming en een faillissement van [verzoekster] . Inmiddels zijn er vijf procedures aanhangig gemaakt, waarvan in twee zaken reeds vonnis is gewezen. Een van de verhuurders heeft inmiddels ook daadwerkelijk ontruiming aangezegd. Daarnaast verkeert [verzoekster] bij meerdere verhuurders in verzuim, die hebben aangegeven rechtsmaatregelen te treffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft onvoldoende liquiditeit om op dit moment de vorderingen van haar schuldeisers, waaronder specifiek haar verhuurders, te voldoen. Het liquiditeitstekort leidt er toe dat [verzoekster] zich bevindt in een toestand zoals bedoeld in art. 370 lid 1 Fw. Daarbij benadrukt [verzoekster] dat zij winstgevend is en dat zij gedurende de afkoelingsperiode kan voortgaan met het betalen van de dan opkomende ‘lopende verplichtingen’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Het crediteurenakkoord zal naar alle waarschijnlijkheid inhouden dat de gezamenlijke crediteuren ieder twintig procent van hun vordering voldaan krijgen, en de Belastingdienst veertig procent. Tijdens de voorbereiding van het crediteurenakkoord kan blijken dat deze percentages anders worden. Als het crediteurenakkoord tot stand komt, zal er voldoende financiële ruimte zijn voor de volledige betaling van alle schulden die verbonden zijn aan werknemersrechten, waaronder de schulden aan het betrokken bedrijfstakpensioenfonds. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Een vergelijking tussen het scenario waarin [verzoekster] haar onderneming gedurende de verzochte afkoelingsperiode kan voortzetten en het alternatieve scenario – een faillissement – laat zien dat de afkoelingsperiode in het belang van de gezamenlijke schuldeisers is. De waarde van haar onderneming ligt in belangrijke mate besloten in het vanuit haar winkels kunnen verkopen van haar kleding. In geval van een faillissement zal dit niet meer mogelijk zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De standpunten van [opdrachtgever] B.V. en [verhuurder] B.V. </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [opdrachtgever] B.V. (hierna [opdrachtgever] ) stelt dat zij op 27 november 2025 met [verzoekster] een afbetalingsregeling is overeengekomen. De regeling hield in dat [verzoekster] vanaf 1 december 2025 de reguliere huurpenningen zou voldoen en de achterstallige huur in acht maandelijkse termijnen zou afbetalen, steeds op de vijftiende van de maand, te beginnen op 15 december 2025. Tot op heden heeft [verzoekster] alleen de eerste termijn voldaan. Bovendien is de reguliere huur voor januari 2026 van € 12.218,53 niet voldaan. Hierdoor is de betalingsachterstand verder opgelopen tot € 66.187,55. [opdrachtgever] heeft een direct financieel belang bij naleving van de gemaakte betalingsafspraken. [opdrachtgever] vraagt de rechtbank om met het voorgaande rekening te houden bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] .  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [verhuurder] B.V. (hierna: [verhuurder] ) stelt zich op het standpunt dat [verzoekster] geen levensvatbare onderneming is. [verzoekster] is op [datum oprichting] opgericht ten behoeve van de doorstart van [B.V.] , welke onderneming op [datum faillissement] in staat van faillissement is verklaard. Reeds een halfjaar later, medio 2025, was [verzoekster] niet langer in staat de huurpenningen over het derde kwartaal van 2025 tijdig en volledig te voldoen. Het vierde kwartaal van 2025 en de volledige huur met betrekking tot het eerste kwartaal van 2026 heeft [verzoekster] ook onbetaald gelaten. [verhuurder] meent dat er geen reden of grondslag is om opnieuw tot een herstructurering (onder de WHOA) te komen. [verhuurder] wordt wezenlijk in haar belangen geschaad met een afkoelingsperiode van drie maanden en het vooruitzicht dat bij een akkoord slechts twintig procent van haar vordering zal worden voldaan ten opzichte van de situatie waarin de huurovereenkomst eindigt of [verzoekster] failliet wordt verklaard. Het door [verhuurder] aan [verzoekster] verhuurde pand is een courant pand en er hebben zich al belangstellenden gemeld voor de huur ervan. Het is maar zeer de vraag of een nieuwe start van [verzoekster] deze keer wel succesvol zal zijn. Uit het verzoekschrift volgt slechts zeer summiere informatie over de wijze waarop [verzoekster] de herstructurering vorm wil geven. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Rechtsmacht en bevoegdheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het verzoek een afkoelingsperiode af te kondigen het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank dient vast te stellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. [verzoekster] is statutair gevestigd in [plaats] en houdt kantoor in [plaats] . Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Tijdelijke voorziening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft verzocht om per direct als tijdelijke voorziening een afkoelingsperiode te gelasten in verband met dreigend verhaal. Na navraag heeft de rechtbank van [verzoekster] begrepen dat indien de beslissing vóór 15 januari 2026 (de datum waartegen een van de verhuurders ontruiming heeft aangezegd) volgt, deze voldoende tijdig is. De rechtbank heeft daarom geen tijdelijke voorziening getroffen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Afkoelingsperiode</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Op grond van artikel 376 Fw kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien (nog) geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden, zodat [verzoekster] kan worden ontvangen in haar verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Op grond van artikel 376 lid 4 Fw wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers met een afkoelingsperiode zijn gediend. Daarmee wordt niet voldaan aan het vereiste van artikel 376 lid 4 sub b Fw. De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster] tot afkondiging van een afkoelingsperiode daarom afwijzen. De rechtbank heeft daarbij het volgende in overweging genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Uit de zienswijzen en de behandeling ter zitting is duidelijk geworden dat [verzoekster] in [datum oprichting] is opgericht als doorstart van het failliete [B.V.] . Hoewel zij met een schone lei is begonnen, zijn al in 2025 – derhalve zeer kort na de doorstart – schulden ontstaan. Medio 2025 kon [verzoekster] haar huren niet meer voldoen. Het verzoek tot afkondigen van een afkoelingsperiode houdt direct verband met deze huurschulden, maar uit de overgelegde balans volgt dat er meer schulden zijn, waaronder een schuld van 1,3 miljoen euro aan handelscrediteuren en schulden aan de Belastingdienst en UWV van circa 7 ton. Vast staat dat [verzoekster] nu en in de toekomst (zonder akkoord) niet in staat is om deze schulden te voldoen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>In die afgelopen periode heeft [verzoekster] de belangen van haar schuldeisers niet behartigd. [verzoekster] heeft toegelicht dat zij in 2025 (niet nader gedefinieerde) maatregelen op concernniveau heeft genomen. Ondertussen heeft zij haar schulden in Nederland laten oplopen en haar schuldeisers, onder wie de verhuurders, in het ongewisse gelaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>De rechtbank heeft onvoldoende zekerheid dat de belangen van de schuldeisers gedurende de afkoelingsperiode wél voldoende worden gewaarborgd. [verzoekster] heeft liquiditeitsprognoses per week en per maand overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat deze prognoses zijn gebaseerd op een situatie ná WHOA-akkoord, waarbij de kosten als gevolg van sluiting van een aantal winkels, de daaraan gekoppelde opzegging van huurovereenkomsten, en het afvloeien van personeel lager zullen zijn. Onduidelijk is wat op dit moment – waar blijkens de mededelingen van [verzoekster] ter zitting slechts één huurovereenkomst is opgezegd – de nog lopende verplichtingen zijn. Ook is onduidelijk hoeveel en welke winkels [verzoekster] wenst te sluiten. Bovendien zegt [verzoekster] in haar prognoses uit te gaan van eenzelfde omzet als in 2025, terwijl zij het voornemen heeft om winkels te sluiten. [verzoekster] heeft onvoldoende onderbouwd dat de beoogde shop-in-shop constructie het omzetverlies ten gevolge van de sluiting van een aantal winkels volledig kan opvangen. Ook de door de rechtbank geconstateerde discrepantie tussen de maandelijkse en de wekelijkse liquiditeitsprognoses heeft [verzoekster] niet op afdoende wijze kunnen verklaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft op basis van de door haar overgelegde onduidelijke en onzekere prognoses en de onvolledige inzage in haar financiële positie onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de afkoelingsperiode haar lopende verplichtingen opeens wel zal kunnen voldoen. Deze onzekerheid wordt nog benadrukt doordat [verzoekster] de na deponering van de startverklaring opgekomen huurverplichtingen over januari 2026 en het eerste kwartaal van 2026 niet heeft voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft in de stukken noch ter zitting de contouren van het door haar voorgenomen akkoord voldoende concreet gemaakt, zodat de rechtbank evenmin kan beoordelen of de schuldeisers met een akkoord beter af zullen zijn dan in geval van faillissement. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het verzoek strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 376 Fw. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. Leppens, voorzitter, mr. Rombouts en mr. Ebben, rechters, en in aanwezigheid van mr. Brouwer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>