<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:945</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T09:30:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 26/699</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2026/0422</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:945">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:945</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-19T11:36:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:945 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / BRE 26/699</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:945:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>VOVO</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:945:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 26/699 </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2026 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant</emphasis>, de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, ontvangen door de rechtbank op 29 januari 2026. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen de waarde van de onroerende zaak [adres] vastgesteld en gelijktijdig aan verzoeker aanslagen gemeentelijke belastingen van de gemeente Moerdijk en waterschapsbelastingen van de Brabantse Delta voor de jaren 2020, 2021 en 2022 opgelegd (hierna: de aanslagen). De belasting verschuldigd op de betreffende aanslagbiljetten bedraagt voor het jaar 2020 € 1.003,46, voor 2021 € 1.068,53 en voor het jaar 2022 € 1.158,45. </para>
        <para>Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen, waarna de heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar heeft gedaan. </para>
        <para>Tegen de uitspraken op bezwaar die zien op de jaren 2020 en 2021 heeft verzoeker op 21 november 2024 beroep aangetekend bij de rechtbank. De rechtbank heeft die beroepen geregistreerd onder de zaaknummers BRE 24/7936 (2020) en BRE 24/7937 (2021). </para>
        <para>Tegen de uitspraak op bezwaar die ziet op het jaar 2022 is een stuk van 2 april 2025 aangemerkt als beroepschrift bij de rechtbank en geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/6624. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De verzoeken van verzoeker om kwijtschelding van de aanslagen zijn afgewezen. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 21 januari 2026 gereageerd op het bericht van verzoeker waarin verzoeker stelt dat de verzoeken tot kwijtschelding over de jaren 2020 tot en met 2022 onjuist zijn beoordeeld. In de brief van 21 januari 2026 geeft de heffingsambtenaar nogmaals aan dat verzoeker geen recht heeft op kwijtschelding, en de verzoeken om kwijtschelding daarom volgens hem terecht zijn afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter in zijn verzoek om:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>i) Het besluit van de heffingsambtenaar van 21 januari 2026 te schorsen voor de duur van de beroepsprocedure;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ii) De heffingsambtenaar te bevelen om binnen 48 uur alle noodzakelijke stappen te zetten om de door zijn besluit veroorzaakte negatieve BKR-registratie bij [hypotheekverstrekker] ongedaan te maken; en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>iii) De heffingsambtenaar te gelasten een voorlopig voorschot aan verzoeker te betalen van € 22.500. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op het verzoek gereageerd bij brief van 3 februari 2026.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Karakter voorlopige voorziening </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.<footnote-ref linkend="_b91a097e-2d4e-47da-9ac2-5e2be0800071" /> Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.<footnote-ref linkend="_99834734-4ec4-4699-be0c-42af083ba4c1" /> De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>(i) <emphasis role="italic">schorsing van de aanslagen</emphasis></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek van verzoeker om het besluit van 21 januari 2026 te schorsen zo, dat verzoeker de voorzieningenrechter vraagt de aan het kwijtscheldingsverzoek ten grondslag liggende aanslagen (als beschreven onder 1.1) te schorsen. Aan het vereiste van connexiteit is in dat kader voldaan. Ten aanzien van de aanslagen zijn namelijk beroepsprocedures bij de rechtbank bekend. De voorzieningenrechter kan daarom het verzoek om schorsing van de aanslagen hierna behandelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Slechts in het geval sprake is van een spoedeisend belang en de aanslagen onmiskenbaar lichtvaardig of onrechtmatig zijn opgelegd, kan de voorzieningenrechter de gevraagde voorlopige voorziening toewijzen. Het is aan verzoeker om dat aannemelijk te maken.<footnote-ref linkend="_cbdc1eab-d705-43c1-a0fc-e1c11cb473aa" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Verzoeker heeft gemeld dat er sprake is van een acute en onhoudbare noodsituatie. Volgens hem heeft de heffingsambtenaar de verzoeken om kwijtschelding ten onrechte afgewezen. De afwijzingsgrond dat sprake zou zijn van overwaarde op zijn woning, is onjuist, tot op heden niet door de heffingsambtenaar onderbouwd, en staat bovendien haaks op de vastgestelde WOZ-waarde in combinatie met zijn hypotheekschuld. Als gevolg van de aanslagen is bij zijn hypotheekverstrekker een negatieve BKR-registratie ontstaan, waardoor verzoeker geen toegang heeft tot enige vorm van financiering. Zijn onderneming ligt daardoor stil, verzoeker beschikt niet over inkomen, en herstel is door de BKR-registratie ook niet mogelijk. Verzoeker heeft een privélening van € 22.500 moeten afsluiten, die hij in maart 2026 dient af te lossen, maar door de BKR-registratie is herfinanciering niet mogelijk. Verzoeker voert voorts aan extreme stress door de situatie te ervaren, waar inmiddels zijn gezondheid ook onder lijdt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen reden de aanslagen als apert lichtvaardig of onrechtmatig te beoordelen. Het enkele feit dat verzoeken om kwijtschelding van de aanslagen zijn afgewezen, leidt daar niet toe. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet meegaat in het verzoek om schorsing van de aanslagen. In het kader van deze voorlopige voorziening is een verdergaande beoordeling van de aanslagen niet mogelijk. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot schorsing van de aanslagen, als kennelijk ongegrond, afwijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(ii) <emphasis role="italic">negatieve BKR-registratie </emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter verder om de heffingsambtenaar te gelasten de daartoe noodzakelijke stappen te ondernemen om de negatieve BKR-registratie bij [hypotheekverstrekker] ongedaan te maken. Wat ook inhoudelijk van dit verzoek zij, de voorzieningenrechter kan sowieso niet aan dit verzoek voldoen omdat hij daartoe niet bevoegd is. Handelingen die verband houden met een BKR-registratie vallen namelijk buiten het bereik van de belastingrechter. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iii) <emphasis role="italic">voorschot van € 22.500</emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Tot slot verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter om de heffingsambtenaar te veroordelen om € 22.500 aan hem te voldoen bij wijze van voorschot. Dat bedrag is gelijk aan de door verzoeker kennelijk afgesloten recente geldlening. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek af omdat er geen aanleiding is om de heffingsambtenaar bij voorlopige voorziening te veroordelen in de herfinanciering van een door verzoeker afgesloten geldlening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Ook al het overige gestelde leidt niet tot het oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening op dit moment vereist is. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af voor zover verzoeker vraagt om schorsing van de aanslagen; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart zich ten aanzien van het verzoek dat ziet op de BKR-registratie onbevoegd; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om bij voorlopige voorziening de heffingsambtenaar te veroordelen in betaling van € 22.500 aan verzoeker, af. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier					voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b91a097e-2d4e-47da-9ac2-5e2be0800071" label="1">
    <para> Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_99834734-4ec4-4699-be0c-42af083ba4c1" label="2">
    <para> Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbdc1eab-d705-43c1-a0fc-e1c11cb473aa" label="3">
    <para> Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:983, r.o. 3.6.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>