<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:897</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-20T10:09:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/441645 / JE RK 25-1977</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:897">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:897</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-20T10:09:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:897 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-02-2026 / C/02/441645 / JE RK 25-1977</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:897:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanhouding verzoek machtiging tot uithuisplaatsing</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:897:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Familie- en Jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/02/441645 / JE RK 25-1977</para>
      <para>Datum uitspraak: 2 februari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING &amp; RECLASSERING, </emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Eindhoven,	</para>
      <para>hierna te noemen: de GI,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>over</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. L.A.W. Hermans uit Venlo.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de beschikking van 21 november 2025 met daarin alle vermelde stukken;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de producties 1 t/m 5 van mr. Hermans, ontvangen op 15 januari 2026;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 6 van mr. Hermans, ontvangen op 26 januari 2026;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 7 van mr. Hermans, ontvangen op 27 januari 2026;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de briefrapport van de GI met bijlage, ontvangen op 29 januari 2026.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:</para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;</para>
      <para>- een vertegenwoordigster van de GI.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was tevens bij de zitting aanwezig [begeleidster] , een begeleidster van de moeder vanuit het moeder-kindhuis.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 september 2024, op schrift gesteld op 26 september 2024, [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 september 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 september 2026.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij beschikking van 21 november 2025 is het verzoek van de GI om [minderjarige] (deeltijd) uit huis te plaatsen aangehouden tot de zitting van 2 februari 2026.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De GI heeft haar verzoek - zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.1 en nader toegelicht in rechtsoverweging 4.1 in de beschikking van deze rechtbank van 21 november 2025, te weten een (deeltijd) machtiging voor 3 tot 4 dagen - tijdens de zitting gewijzigd en verzoekt nu om voor [minderjarige] een (deeltijd) machtiging tot uithuisplaatsing in een steungezin gedurende het weekend te verlenen. De GI verzoekt deze machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De verdere standpunten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De GI wijzigt haar verzoek naar een (deeltijd) machtiging tot uithuisplaatsing gedurende het weekend, nu er in de weekenden in het moeder-kindhuis slechts 4 uur begeleiding per dag aanwezig is. In aanvulling op de briefrapportage heeft de GI toegelicht dat de moeder stappen heeft gezet en dat er naast een paar incidenten - waaronder een paar keer te laat komen op werk en vuile vaat in de kastjes - een verbetering zichtbaar is. De verslavingszorg voor de moeder is gestart en zij gaat naar haar werk en dat verloopt goed. In het moeder-kindhuis krijgt de moeder zeer intensieve begeleiding en werkt zij met een dagschema, waarbij de dag per uur is uitgestippeld. Dit is de meest intensieve vorm van zorg die aan de moeder kan worden geboden en daarmee redt de moeder het net. Door deze intensieve begeleiding voor de moeder is [minderjarige] op dit moment veilig. De moeder en [minderjarige] kunnen tot september 2026 bij het moeder-kindhuis blijven. Volgens de GI staat de moeder er niet voor open om opnieuw mee te werken aan een diagnostisch onderzoek en wil zij niet met [minderjarige] bij [zorgorganisatie 1] wonen, als zij op basis van het onderzoek daar al terecht zou kunnen. Eerder heeft de moeder een IQ-score van 82 gehaald en dat is te hoog voor [zorgorganisatie 1] . Als de moeder hier wel toegelaten zou worden, zouden de moeder en [minderjarige] daar wellicht vanuit het moeder-kindhuis kunnen instromen. De GI stelt dat zelfstandig wonen met begeleiding vanuit Wmo, zoals de moeder eerder voor ogen had, niet haalbaar is, nu de moeder meer zorg en begeleiding nodig heeft dan vanuit de WMO geboden kan worden. Het is derhalve nog niet duidelijk waar de moeder en [minderjarige] na september 2026 heen kunnen. De GI erkent dat de moeder de afgelopen periode de stappen heeft gezet die van haar verwacht werden en een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar de GI vermoedt dat de moeder deze stappen voornamelijk zet door de druk van het onderhavige verzoek. De GI vraagt zich af hoelang de moeder dit volhoudt en of zij niet wordt overvraagd. Verder geeft de GI aan dat [minderjarige] bij [zorgorganisatie 2] is aangemeld, maar dat er nog geen concreet steungezin voor hem is. Desgevraagd geeft de GI aan geen mogelijkheid voor de moeder te zien om uiteindelijk zelf voor [minderjarige] te blijven zorgen, zonder de intensieve begeleiding van het moeder-kindhuis, als de moeder en [minderjarige] niet naar [zorgorganisatie 1] of een soortgelijke woonplek kunnen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek en is verzocht om het verzoek af te wijzen. Hiertoe is aangevoerd dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] is op dit moment niet noodzakelijk en niet in zijn belang is. De veiligheid van [minderjarige] is door het verblijf bij het moeder-kindhuis niet in het geding en daardoor is er op dit moment geen noodzaak om de (deeltijd) machtiging te verlenen. Daar komt bij dat de moeder alle stappen die van haar verwacht werden gedurende de afgelopen periode heeft gezet en op alle punten positieve ontwikkelingen heeft laten zien. De moeder heeft dit met stukken onderbouwd. De moeder is het niet eens met de verzochte deeltijd uithuisplaatsing van [minderjarige] in het weekend, omdat het weekend juist het moment voor de moeder is om te laten zien dat zij vooruitgang boekt en zelfstandig is. De moeder heeft in de afgelopen periode gewerkt aan alle drie de punten zoals tijdens de vorige zitting besproken. Zo heeft zij geregeld dat [minderjarige] op de maandag, donderdag en vrijdag naar de kinderopvang gaat. Op de maandag en donderdag werkt de moeder en op de vrijdag heeft zij tijd om aan zichzelf te werken en therapie te volgen. De moeder heeft haar intake bij [zorgorganisatie 3] gehad en accepteert de hulpverlening die zij daar krijgt. De eerste twee gesprekken hebben al plaatsgevonden. Ook gaat de moeder op de vrijdag deelnemen aan groepsgesprekken. Doordat de moeder [minderjarige] in de ochtend naar de kinderopvang moet brengen, heeft zij op haar werk afgesproken dat zij voortaan om 9.00 uur (in plaats van 8.00 uur) begint. Op die manier heeft de moeder iets meer tijd en kan zij op tijd op haar werk te komen. Uit de overgelegde stukken blijkt ook dat men op het werk heel tevreden over de moeder is. De dinsdag is een netwerkdag en dan gaan de moeder en [minderjarige] geregeld naar oma moederszijde. Verder heeft de moeder sinds de vorige zitting geen alcohol of middelen meer gebruikt, ook niet tijdens de feestdagen en volgt zij de adviezen en tips van de begeleiding beter op. Zo probeert de moeder [minderjarige] niet meteen op te pakken als hij huilt. Uit het rapport van het moeder-kindhuis volgt ook dat de moeder positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. In de meest recente evaluatie volgt dat het moeder-kindhuis inschat dat de moeder de gestelde doelen in de rapportage - kortgezegd het hebben van een veilig, ondersteunend en liefdevol contact met [minderjarige] , het zorgen voor continuïteit in opvoeding en verzorging van [minderjarige] door het aanhouden van ritme, regelmaat en structuur en het verkrijgen van zicht op de vervolgplek - met begeleiding en praktische ondersteuning binnen vier maanden kan behalen. Namens de moeder is betoogd dat zij de kans moet krijgen om te laten zien dat zij dit kan waarmaken. Dat de GI tijdens de zitting aangeeft dat de moeder er nog niet is en het net haalt, is niet de rijmen met de rapportage en de inschatting van het moeder-kindhuis. Tot slot is het verzoek niet nodig om druk op de ketel te houden. Het plan vanuit het moeder-kindhuis zorgt voor die druk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De moeder heeft aangevuld dat zij graag zelf voor [minderjarige] wil blijven zorgen en geen meerwaarde in een steungezin gedurende het weekend ziet. In de weekenden houdt zij haar dagstructuur aan en op de zondag gaat zij soms met [minderjarige] naar oma moederszijde. De moeder neemt de hulp aan en wil haar verbetering voortzetten en de gegeven adviezen eigen maken. Het moeder-kindhuis verwacht dat de moeder dit binnen vier maanden kan dus daar wil zij alles aan doen. Het plannen zal door haar ADD altijd lastig blijven, maar met de medicatie, vaste routine en aangeleerde vaardigheden bij het moeder-kindhuis moet het haar lukken. Het gaat nog niet automatisch, maar wel steeds beter. In de komende periode wil de moeder ook kijken naar een passende vervolgplek. De moeder wil het liefst samen met [minderjarige] zelfstandig wonen met begeleiding vanuit Wmo. Maar als dat niet haalbaar is, is zij wel degelijk bereid om opnieuw mee te werken aan het diagnostisch onderzoek en staat zij ervoor open om samen met [minderjarige] bij [zorgorganisatie 1] te wonen als dat passend wordt geacht. Het onderzoek dat nu wordt aangehaald is namelijk ouder dan twee jaar en de moeder had de avond voorafgaand alcohol gebruikt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De begeleidster vanuit het moeder-kindhuis geeft aan dat er in de weekenden minder begeleiding aanwezig is, te weten 4 uur per dag. Doordeweeks is dat 8 uur per dag.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wettelijk kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoudelijke beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De kinderrechter zal de beslissing op het verzoek van de GI om [minderjarige] (deeltijd) uit huis te plaatsen in een steungezin opnieuw gedurende een korte periode aanhouden.</para>
        <para>De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat op dit moment niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een uithuisplaatsing zoals hierboven vermeld. De moeder en [minderjarige] verblijven bij het moeder-kindhuis en kunnen daar tot september 2026 blijven, waar de moeder de intensieve begeleiding krijgt die zij nodig heeft. Gebleken is dat de moeder nog afhankelijk is van intensieve aansturing, zowel in de praktische uitvoering van het ouderschap als in het maken van passende opvoedkundige keuzes, maar dat er wel sprake is van een verbetering. De kinderrechter hoort en ziet dat de moeder in de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij alles op alles heeft gezet om te laten zien dat zij serieus aan zichzelf werkt. Dit blijkt ook uit de overgelegde stukken en de overgelegde evaluaties van het moeder-kindhuis. Zo is de moeder op de vrijdagen gestart met therapie voor haar eigen (verslavings)problematiek en heeft zij sinds de vorige zitting geen alcohol of andere verdovende middelen gebruikt. Daarnaast heeft de moeder geregeld dat [minderjarige] drie dagen per week naar de kinderopvang gaat en volgt zij de adviezen van de begeleiders van het moeder-kindhuis beter op en accepteert zij de hulpverlening die nodig is om de benodigde structuur en stabiliteit voor [minderjarige] aan te brengen. Dat de moeder positieve stappen heeft gezet, volgt ook uit de rapportage van het moeder-kindhuis dat door de advocaat van de moeder is overgelegd en wordt, op enkele keren te laat komen na, ook door de GI bevestigd. Uit de overgelegde stukken en de evaluaties van het moeder-kindhuis blijkt dat er, al dan niet onder druk van deze procedure, een verbetering zichtbaar is en dat [minderjarige] op dit moment door de intensieve zorg en begeleiding die aan de moeder in het moeder-kindhuis wordt geboden, veilig is. De GI geeft ook aan op dit moment geen zorgen om de acute veiligheid van [minderjarige] in het moeder-kindhuis te hebben, maar zich met name zorgen te maken over hoe het na de periode van de moeder en [minderjarige] in het moeder-kindhuis, in september 2026, verder moet. Dit alles maakt dat de kinderrechter niet kan vaststellen dat het op dit moment noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat [minderjarige] (deeltijd) gedurende het weekend uit huis moet worden geplaatst. Ondanks dat de kinderrechter de zorgen en het verzoek van de GI wel begrijpt, stelt zij vast dat voor nu niet aan het noodzaakcriterium is voldaan om de (deeltijd) machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen. Een machtiging tot uithuisplaatsing is immers een uiterst redmiddel, waar terughoudend mee om moet worden gegaan en er niet voor is bedoeld om alvast voor te sorteren op een mogelijke uithuisplaatsing in de toekomst. Dit geldt temeer nu tijdens de zitting is gebleken dat nog niet duidelijk is of de moeder en [minderjarige] in september 2026, na de periode in het moeder-kindhuis mogelijk samen naar een geschikte plek, waar zij voldoende begeleiding krijgen, kunnen uitstromen. Tijdens de zitting is gebleken dat het eerdere diagnostisch onderzoek van de moeder verouderd is en dat de moeder bereid is om opnieuw mee te werken aan een diagnostisch onderzoek, om te bezien of zij met [minderjarige] begeleid zou kunnen gaan wonen bij [zorgorganisatie 1] of een soortgelijke voorziening. Als de moeder hier wel toegelaten zou worden, zouden de moeder en [minderjarige] daar wellicht vanuit het moeder-kindhuis samen kunnen instromen. De kinderrechter vindt dat deze mogelijkheid en eventuele alternatieven de komende periode moeten worden onderzocht. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De kinderrechter zal het verzoek van de GI gedurende vier maanden tot de hierna te noemen pro forma datum aanhouden, om vinger aan de pols te houden. Enerzijds omdat zij ziet dat de moeder alles op alles aan het zetten is om tot een verbetering te komen en de moeder op die manier de kans krijgt om te laten zien dat zij de positieve stappen kan volhouden en een veilige en stabiele opvoedomgeving aan [minderjarige] kan bieden, anderzijds omdat de kinderrechter ook ziet dat er een kans bestaat dat de moeder wordt overvraagd. Zij houdt de zaak voor de duur van vier maanden aan, omdat uit de rapportage van het moeder-kindhuis volgt dat het de inschatting is dat de moeder de gestelde doelen met begeleiding en praktische ondersteuning binnen vier maanden kan halen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij de komende periode positieve stappen zal blijven zetten en aan de besproken punten zal blijven werken. Dit betekent onder andere dat [minderjarige] naar de kinderopvang blijft gaan, dat de moeder de hulpverlening vanuit [zorgorganisatie 3] blijft accepteren en therapie voor haar eigen (verslavings)problematiek blijft volgen. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat de moeder het blijft volhouden om geen alcohol of andere verdovende middelen te gebruiken en dat zij direct de adviezen vanuit de begeleiding van het moeder-kindhuis blijft opvolgen, net als dat zij de hulpverlening blijft accepteren die nodig is om de benodigde structuur en stabiliteit voor [minderjarige] aan te brengen. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat er duidelijkheid komt over een vervolgplek voor de moeder en [minderjarige] , nu zij tot september 2026 bij het moeder-kindhuis kunnen blijven. Tijdens de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij bereid is om opnieuw mee te werken aan een diagnostisch onderzoek en dat zij ook bereid is om na september 2026 met [minderjarige] bij [zorgorganisatie 1] te wonen, als dat passend wordt geacht. Aan de hand van de resultaten van het diagnostisch onderzoek kan duidelijk worden of [zorgorganisatie 1] een optie voor de moeder en [minderjarige] is. Als dat niet het geval is, verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder gaat onderzoeken of en wat een andere, passende vervolgplek voor de moeder en [minderjarige] kan zijn. Belangrijk is dat bij de vervolgplek aan de moeder de benodigde (intensieve) zorg en ondersteuning kan worden geboden. Van de GI en de begeleiders van het moeder-kindhuis verwacht de kinderrechter verder dat zij de situatie goed blijven opvolgen. De moeder krijgt een kans om verbetering te laten zien, maar de veiligheid van [minderjarige] moet uiteraard geborgd zijn. Gedurende de komende periode dient de veiligheid van [minderjarige] uiteraard geborgd te zijn. Als bij de GI de zorg bestaat dat de 24-uurszorg bij het moeder-kind huis niet langer toereikend is, de moeder wordt overvraagd of als er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] zijn, verwacht de kinderrechter van de GI dat zij dit aan de kinderrechter zal mededelen zodat de zaak eerder behandeld kan worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Nu de kinderrechter het verzoek tot de hierna te noemen pro forma datum zal aanhouden, verzoekt de kinderrechter de GI om voor die datum per brief te rapporteren over de stand van zaken. Ook wordt de GI verzocht haar nadere standpunt over het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de GI het verzoek al dan niet handhaaft.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>houdt de beslissing ten aanzien van het verzoek om [minderjarige] (deeltijd) uit huis te plaatsen aan tot <emphasis role="bold underline">9 juni 2026 PRO FORMA </emphasis>en verzoekt de GI om voor deze datum per brief te rapporteren over de stand van zaken en verzoekt de GI haar nadere standpunt over het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de GI het verzoek al dan niet handhaaft;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>behoudt zich iedere verdere beslissing voor.</para>
      <para />
      <para>Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>