<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T10:55:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 25/6042</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:877">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T11:38:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:877 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-02-2026 / BRE 25/6042</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:877:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>NTB bezwaar omgevingsvergunning</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:877:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 25/6042 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 6 juni 2025 tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het intern aanpassen van het bedrijfsgebouw (t.b.v. verhuur fitness onderneming) op het adres [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_cba87308-c282-40cb-a557-e660fbf69a70" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep kennelijk gegrond?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 6 juni 2025. Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is<emphasis role="italic">. </emphasis>Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken.<footnote-ref linkend="_a02e14a8-4ce9-4760-ae65-bdfcbe3bfe60" /> Het college heeft de termijn verlengd met zes weken.<footnote-ref linkend="_d8befdd8-e5b2-46a9-b344-2604f128492b" />Het college had dus uiterlijk op 16 oktober 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het college op 17 oktober 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om een langere termijn op te leggen, aangezien het college in het verweerschrift van 15 december 2025 aangaf de verwachting te hebben uiterlijk 31 januari 2026 een besluit op de nieuwe aanvraag omgevingsvergunning te nemen, waarmee ze ook (indien nodig) zouden kunnen beslissen op het bezwaar tegen de oude omgevingsvergunning. Deze datum is inmiddels verstreken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiseres heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.<footnote-ref linkend="_5b6b6c56-b684-4197-881b-0053ed7de8fd" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Het college heeft (de hoogte van) de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 17 oktober 2025 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat de bestuurlijke dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,- bedraagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college twee weken krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het college al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;</para>
    <para>- stelt de door het college te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 11 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_cba87308-c282-40cb-a557-e660fbf69a70" label="1">
    <para> Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a02e14a8-4ce9-4760-ae65-bdfcbe3bfe60" label="2">
    <para> Dit staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8befdd8-e5b2-46a9-b344-2604f128492b" label="3">
    <para> Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b6b6c56-b684-4197-881b-0053ed7de8fd" label="4">
    <para> Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>