<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-19T12:10:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/444119 HA RK 26-11 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:799">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-19T12:10:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:799 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-02-2026 / C/02/444119 HA RK 26-11 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:799:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:799:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer C/02/444119 HA RK 26-11</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van 6 februari 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] , </emphasis>
      </para>
      <para>hierna te noemen: verzoeker,</para>
      <para>bijgestaan door: [naam] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met nummer BRE 25/273, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het wrakingsverzoek ontvangen op 8 januari 2026,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het e-mailbericht van 19 januari 2026 van mr. Hindriks, de gewraakte rechter, waarin zij kenbaar heeft gemaakt niet in het wrakingsverzoek te berusten en zij haar verhinderdata heeft doorgegeven, </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van mr. Hindriks, hierna de rechter, belast met de behandeling van de zaken met nummer BRE 25/273.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De gronden van het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker voert, samengevat, de volgende wrakingsgronden aan:</para>
        <para>Op het moment dat verweerder op de zitting stelde dat met het hoogste autorisatieniveau is gezocht werd door de rechter niet gevraagd of verweerder deze stelling kon onderbouwen. Nadat verzoeker stelde dat de stelling van verweerder niet klopt werd aan hem gevraagd of hij dat kon onderbouwen. Door verweerder klakkeloos te geloven toen die stelde dat met het hoogste autorisatieniveau is gezocht en verzoeker zijn stelling moest onderbouwen is door de rechter de schijn van partijdigheid gewekt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De reactie van de rechter</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Tijdens de zitting heeft de rechter toegelicht dat zij verweerder op dit specifieke punt nog niet om een nadere onderbouwing had gevraagd. Zij gaf aan dit te beoordelen in haar beslissing. Verder heeft zij toegelicht aan beide partijen kritische vragen te hebben gesteld. Zij heeft met haar uitspraak: “<emphasis role="italic">Ik heb van de korpschef </emphasis><emphasis role="underline italic">nog</emphasis><emphasis role="italic"> geen onderbouwing gevraagd</emphasis>.” niet bedoeld dat het nadere onderbouwen door verweerder op de zitting nog zou plaatsvinden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling van de gronden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>In het proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2026 is onder meer het volgende vermeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic"> “(…) Gemachtigde: Nieuw is dat ter zitting wordt aangegeven dat op het hoogste niveau is gezocht. De politie zegt iets, maar onderbouwt dat niet. Dat is een stelling van de politie. Ik verzoek de rechtbank om of beide partijen te geloven of geen van de partijen en daar dn de consequenties aan te verbinden. In het bestuursrecht wordt het bestuursorgaan geloofd zonder onderbouwing en ik moet onderbouwen. Waarom vertrouwt u de korpschef wel en mij niet? Ik wil graag een schorsing van een paar minuten om te overleggen met eiser.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rechtbank:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">U poneert best wat over het bestuursrecht en ik wil niet dat u mij woorden in de mond legt. Ik heb van de korpschef </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">nog</emphasis>
          <emphasis role="italic"> geen onderbouwing gevraagd. U mag van alles vinden van het bestuursrecht, maar ik moet uiteindelijk beoordelen of de beroepsgronden slagen. Ik stel voor dat we zonder schorsing doorgaan.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gemachtigde:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">We kunnen doorgaan. U zegt terecht dat u van de korpschef </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">nog</emphasis>
          <emphasis role="italic"> geen onderbouwing hebt gevraagd. Het gaat erom dat eiser een eerlijk proces krijgt, waaronder of er voor een stelling een onderbouwing wordt gevraagd. (…)”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De wrakingskamer overweegt als volgt. De stelling van verzoeker dat het oordeel van de rechter al vaststaat doordat de rechter tijdens de mondelinge behandeling geen vragen heeft gesteld over de onderbouwing van het standpunt van de korpschef, volgt de wrakingskamer niet. De wrakingskamer overweegt dat uit de vraagstelling, en het stellen dan wel het niet stellen van bepaalde vragen aan (een van ) partijen door de rechter, niet kan worden verondersteld dat de rechter al een oordeel heeft over (een beslispunt in) de zaak of de schijn heeft gewekt al een oordeel te hebben. Door verzoeker zijn daartoe ook onvoldoende aanknopingspunten aangedragen. Bovendien heeft verzoeker tijdens de mondelinge behandeling voldoende de gelegenheid gehad om hier op de zitting nog iets over te zeggen of om op de wijze van vraagstelling door de rechter te reageren. Dat heeft verzoeker niet gedaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskostenvergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Door verzoeker is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Omdat het wrakingsverzoek wordt afgewezen is er reeds daarom geen reden om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:	</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de behandeling van de zaak met nummer BRE 25/273 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 6 februari 2026 door mr. Peters, mr. Van de Sande en mr. Sterk en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>