<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-13T14:00:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 25/3716</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:717">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-12T10:35:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:717 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-02-2026 / BRE 25/3716</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:717:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:54; beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:717:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 25/3716 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende] BV, uit [woonplaats] , belanghebbende</title>
    <para>(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant</emphasis>, de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 juli 2025. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslag watersysteemheffing en aanslag onroerendezaakbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] voor het object [adres] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 385,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 1 augustus 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 1 september 2025 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 3 september 2025 om 17:23 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend.</para>
    <para />
    <para>5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Belanghebbende heeft tevens verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 december 2016 beslist dat een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het niet-betalen van griffierecht met zich meebrengt, dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade.<footnote-ref linkend="_a7980e76-851c-4bf4-afa1-76e800ee707f" /> Dit is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende – geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 6 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_a7980e76-851c-4bf4-afa1-76e800ee707f" label="1">
    <para> Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>