<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:709</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T14:05:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/443104 KG ZA  25-681</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:709">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:709</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T10:01:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:709 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-01-2026 / C/02/443104 KG ZA  25-681</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:709:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing van de vorderingen van de man wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:709:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Familie- en Jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/02/443104 KG ZA  25-681</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 26 januari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] ,				</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats 1] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,						 </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat: mr. J.L.J. de Vos, gevestigd te Goes.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding met producties;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord met producties.</para>
      <para>- de mondelinge behandeling op 19 januari 2026.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:</para>
      <para>- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,</para>
      <para>- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats 2] (Duitsland),</para>
      <para>- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2015 te [geboorteplaats 3] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 14 juli 2023 heeft de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/441834 FA RK  25-5837 en C/02/411820 FA RK  23-3323) strekkende tot echtscheiding met boedelverdeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vorderingen </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>I.	het in deze zaak te wijzen vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring en / of</para>
        <para>handtekening van de vrouw voor zover die verklaring en/ of handtekening benodigd</para>
        <para>is voor het te koop aanbieden -overeenkomst van opdracht met een makelaar-, het</para>
        <para>met de kopers sluiten van de koopovereenkomst en de levering van de woning met</para>
        <para>aan- en toebehoren aan het adres te [plaats 2] , gemeente Vlissingen ,</para>
        <para>aan [adres], tegen een door de makelaar te bepalen minimale</para>
        <para>verkoopprijs.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>II.	De vrouw wordt veroordeeld om volledige medewerking te verlenen aan de verkoop</para>
        <para>van de woning, waarbij die medewerking zal bestaan uit:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>De verkoopmakelaar en diens medewerkers en ingezette derden toegang te verlenen tot de woning ter voorbereiding van de verkoopwerkzaamheden waaronder, maar niet beperkt tot, het maken van foto's in- en om de woning;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De woning ten behoeve van een dergelijke fotosessie in ordentelijke staat te brengen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De sleutels van de woning af te geven aan de makelaar ten behoeve van bezichtigingen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op eerste verzoek van de makelaar, de woning in ordentelijke staat te brengen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De verplichting om op verzoek van de makelaar de woning te verlaten en daarin niet terug te keren gedurende bezichtigingen ten behoeve van de verkoop;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 met een maximum van € 10.000,00 voor ieder keer dat de vrouw daarmee in gebreke blijft.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>III.	De vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, met bepaling dat vanaf</para>
        <para>veertien dagen na de dag waarop het vonnis is uitgesproken de wettelijke rente over</para>
        <para>de proceskosten is verschuldigd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. Indien en voor zover de vorderingen van de man worden afgewezen, vordert de vrouw de man te veroordelen in de kosten van dit geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op de stellingen en weren van partijen zal in het navolgende, voor zover van belang, worden ingegaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(Spoedeisend) belang</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Uit dit huwelijk zijn drie nog minderjarige kinderen geboren. De vrouw heeft op 13 juli 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. Dit verzoek tot echtscheiding zal door de rechtbank worden behandeld op 5 maart 2026 (hierna: de bodemprocedure). Met dit verzoek van de vrouw zal tevens worden behandeld het door de man op 30 april 2025 ingediende verzoek tot verdeling van de huwelijksgemeenschap. Uit artikel 1:99, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de wettelijke gemeenschap van goederen wordt ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding, in het onderhavige geval dus op 13 juli 2023. Door de ontbinding van de huwelijksgemeenschap zijn de bepalingen van boek 3 titel 7 BW van toepassing. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort, in ieder geval, de woning aan [adres] te [plaats 2] . Wat er verder (eventueel) nog tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort en wat hiervan de waarde is, hebben partijen niet (voldoende duidelijk) gesteld. Tijdens de zitting is wel gebleken dat partijen van mening verschillen over de waarde van de huwelijksgemeenschap. Vaststaat dat de vrouw samen met de drie minderjarige kinderen in de woning verblijft en de man zich op 1 maart 2025 heeft laten uitschrijven van het adres van deze woning.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Genoemd feitencomplex in combinatie met de vordering van de man brengt mee dat de voorzieningenrechter de vraag dient te beantwoorden of de man een zodanig (spoedeisend) belang heeft bij zijn vorderingen ten opzichte van de belangen van de vrouw dat vooruitlopend op de aanstaande bodemprocedure de vrouw in dit kort geding reeds bij wege van ordemaatregel dient te worden veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning als onderdeel van een nog te verdelen huwelijksgemeenschap. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat een gemeenschap in beginsel in zijn geheel dient te worden verdeeld. Weliswaar is niet uitgesloten dat partieel verdeeld kan worden, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreken hiervoor in het onderhavige geval de daartoe vereiste gewichtige redenen (artikel 3:179 BW). Anders dan de man heeft gesteld en de vrouw heeft bestreden, is voorshands onvoldoende gebleken dat de vrouw, zoals zij wenst, de woning niet kan overnemen. Dat, zoals de man heeft gesteld, de vrouw nog geen concrete voorstellen heeft gedaan, is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat, zoals de vrouw heeft aangevoerd, eerst duidelijk moet zijn wat haar financiële positie is na echtscheiding en verdeling van de huwelijksgemeenschap voordat zij een door een bank geaccordeerd financieringsvoorstel kan doen. Daarnaast is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende gebleken dat de man een voldoende zwaarwegend financieel belang heeft bij de gevorderde voorziening. Weliswaar heeft de man, door de vrouw bestreden, aangevoerd dat hij de lasten en de aflossingen van de woning betaalt, zulks naast zijn eigen woonlasten, maar gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een dermate financiële noodsituatie aan de zijde van de man dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de aanstaande bodemprocedure afwacht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrouw, door de man onbestreden, heeft aangevoerd dat zij bereid is de door de man betaalde lasten te compenseren en terug te betalen. Met de man is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij belang heeft om uit de inmiddels ruim tweeënhalf jaar durende onverdeeldheid te geraken. Tegenover dit belang van de man staat evenwel het belang van de vrouw om voorlopig samen met de drie minderjarigen in de woning te kunnen blijven wonen in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure. Door de man onvoldoende gemotiveerd bestreden, staat immers vast dat de vrouw thans geen reëel woonalternatief heeft. Dat, zoals de man heeft aangevoerd de vrouw met, zo begrijpt de voorzieningenrechter, de drie minderjarige kinderen bij haar vader kan verblijven in afwachting van alternatieve woonruimte, is mede gelet op de betwisting door de vrouw onvoldoende aannemelijk geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De slotsom luidt dan ook dat de vorderingen van de man dienen te worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Voor het geval de vorderingen van de man worden afgewezen vordert de vrouw de man te veroordelen in de kosten van dit geding, nu hij, volgens haar, de vrouw nodeloos in kort geding heeft betrokken terwijl de echtscheidings- en verdelingsprocedure reeds aanhangig is en daarin een inhoudelijke beoordeling van de geschilpunten had kunnen plaatsvinden. Onder deze omstandigheden is het redelijk dat de kosten van dit geding, in afwijking van de gebruikelijke kostencompensatie in familierechtzaken, voor rekening van de wederpartij komen, aldus de vrouw.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter volgt de vrouw niet in haar standpunt. Bij de beoordeling van deze verzoeken stelt de voorzieningenrechter voorop dat in procedures tussen (ex) echtgenoten de proceskosten normaliter worden gecompenseerd in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt. De rechter is echter niet tot compensatie verplicht. Wil echter sprake zijn van een dergelijke situatie, geen compensatie, dan dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter (zeer) evident sprake te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd doet deze situatie zich hier niet voor. Naar de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, heeft de man er immers belang bij om zo spoedig mogelijk uit de ruim tweeënhalf jaar durende onverdeeldheid te geraken. Dat dit belang, zo volgt uit het vorenstaande, op dit moment en onder de huidige omstandigheden minder zwaar weegt dan de belangen van de vrouw, rechtvaardigt niet een proceskostenveroordeling als door de vrouw gewenst. De proceskosten tussen partijen zullen dan ook worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij zijn/haar eigen kosten draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van de man af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026 in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>