<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:665</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T10:24:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/432631 / HA ZA 25-130 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:665">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:665</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T10:23:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:665 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-01-2026 / C/02/432631 / HA ZA 25-130 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:665:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gedaagde heeft het bedrijf van eiser overgenomen. Volgens eiser moet gedaagde nog een aantal verplichtingen nakomen, zoals betaling van de overgenomen voorraad.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:665:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Zeeland-West-Brabant</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/02/432631 / HA ZA 25-130</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 28 januari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.R.E. Gelok ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. F.F.J. Froger .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft het bedrijf van [eiser] overgenomen. Volgens [eiser] moet [gedaagde] nog een aantal verplichtingen uit de overeenkomst nakomen, waaronder betaling van de overgenomen voorraad. De rechtbank wijst de vordering deels toe. De rechtbank legt hieronder onder het kopje ‘De beoordeling’ uit waarom. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het tussenvonnis van 11 juni 2025,</para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 31 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,</para>
      <para>- de akte met producties A en B van [eiser] ,</para>
      <para>- de spreekaantekeningen van [eiser] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft haar bedrijf per 31 juli 2022 verkocht aan [gedaagde] . [eiser] dreef een onderneming waarin zij onder andere warmtepompen leverde en plaatste bij klanten. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De overname-overeenkomst (hierna: overeenkomst) bepaalt dat de koopsom onder andere bestaat uit een bedrag voor de overgenomen voorraad. Dit bedrag is in de overeenkomst geschat op € 115.000,00. In de overeenkomst is voor zover relevant het volgende opgenomen:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">‘(…) Artikel 8 (…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">a. Partijen streven ernaar de levering van het Verkochten te laten plaatsvinden per 31 juli 2022 of zoveel eerder als redelijkerwijs mogelijk of zoveel later, indien de relevante voorwaarden daartoe nog niet zijn vervuld, hierna te noemen: Closing Datum. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 9</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De voorraad wordt gekocht op de Closing Datum tegen de dan geldende waarde, waarbij partijen vaststellen welk deel niet wordt gebruikt. De niet gebruikte voorraad blijft in eigendom van Verkoper. 2 maanden voor de relocatie wordt een splitsing gemaakt in de nog aanwezige voorraad die is overgenomen in gewenste en in niet noodzakelijk geachte voorraad. De gewenste voorraad wordt tegen inkoopprijs geheel overgenomen en de niet noodzakelijk geachte voorraad vergoedt Verkoper aan Koper. (…)’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarnaast staat in artikel 10 dat verkoper recht heeft op een provisie bij realisatie van de omzet door koper. Deze provisie voor de orderportefeuille warmtepompen bedraagt 10% over de omzetwaarde. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Vanaf de overname zijn [eiser] en [gedaagde] met elkaar overeengekomen dat de heer [naam 1] wegens zijn kennis van het bedrijf als manager werkzaamheden uitvoert bij [gedaagde] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Vanaf de overname heeft [gedaagde] het pand waarin [eiser] was gevestigd gehuurd van [eiser] om de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde] voort te zetten. In dit pand is ook het magazijn aanwezig. In het magazijn staat veel voorraad, waaronder materialen van vele of meerdere jaren oud. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Twee werknemers van [gedaagde] hebben begin 2023 een inventarisatie van de aanwezige voorraad gemaakt. Hierna heeft [eiser] aan [gedaagde] op 5 februari 2023 een e-mail met bijlagen gestuurd. [eiser] schrijft:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hierbij de getallen voor het tweede deel van de overnamesom met onderleggers. Het eerste deel, de goodwill, is door [naam 2] reeds voldaan. De bedragen zijn als volgt:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Materiele vaste activa (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- 5% Orderportefeuille reguliere omzet (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Reguliere voorraad per 31-12-2022		€ 242.147,07</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…) Twee grote tellijsten van de voorraad volgen nog in twee mailberichten. (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>In reactie hierop heeft [gedaagde] laten weten dat DRV binnenkort de voorraad komt inventariseren. Per e-mail van 3 maart 2023 heeft de heer [naam 3] van DRV laten weten dat de voorraadinventarisatie op 22 februari 2023 heeft plaatsgevonden. [naam 3] heeft een memo hierover opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat de inventarisatie van de voorraad juist is. De waarde van de voorraad per 31 december 2022 bedraagt € 243.857,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Per e-mail van 12 maart 2023 heeft [eiser] laten weten dat er nog een correctie moet plaatsvinden op het bedrag. Hierdoor komt het bedrag uit op € 232.562,85 in plaats van € 242.147,07. Ook heeft [eiser] vermeld op welk bedrag de eindafrekening van de overname dan uitkomt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Op 14 maart 2023 heeft een bespreking plaatsgevonden, waarbij [eiser] , [gedaagde] en de accountant aanwezig waren. Van deze bespreking is een notitie gemaakt die door [eiser] en [gedaagde] is ondertekend. In de notitie staat dat DRV een voorraadinventarisatie heeft uitgevoerd en dat hieruit geen noemenswaardige punten uit naar voren zijn gekomen. [gedaagde] heeft het bedrag van de eindafrekening van de overname bevestigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>In het najaar van 2023 stopt de heer [naam 1] met zijn werkzaamheden als manager van [gedaagde] .  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>De huur van het pand van [eiser] loopt eind 2023 af. [gedaagde] is vanaf 2024 met het bedrijf verhuisd naar een andere locatie. Eind december 2023 heeft een medewerker van [gedaagde] de voorraad die zij over wilde nemen gelabeld. [gedaagde] heeft de door haar gelabelde voorraad verhuisd naar de nieuwe bedrijfslocatie. Deze voorraad heeft volgens haar een waarde van € 122.000,00. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Tussen [eiser] (eiser) en [gedaagde] (gedaagde) hebben twee eerdere procedures gelopen bij deze rechtbank. Verder is [holding] een procedure gestart tegen [gedaagde] . De rechtbank heeft deze zaken gelijktijdig behandeld en de vonnissen uitgesproken op 19 maart 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert – samengevat – na vermindering van eis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 342.423,01, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De eisvermindering </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft bij dagvaarding betaling van € 431.409,46 van [gedaagde] gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] haar vordering over de correctie stornering gasservice-abonnementen ingetrokken en ook de gevorderde bonus van € 30.000,00. Hierdoor is haar eis verminderd. [eiser] vordert nu in hoofdsom nog een bedrag van € 342.423,01. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>De verkochte voorraad 				€ 232.562,85</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De provisie warmtepompen na verrekening		€   21.383,16 </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">Het gedragen verlies over de tweede helft 2022	€   88.477,00 </emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Totaal							€ 342.423,01</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal hieronder beoordelen of [eiser] recht heeft op betaling van deze bedragen.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">De vordering tot betaling van de gekochte voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] en [gedaagde] twisten over de vraag welk bedrag [gedaagde] moet betalen voor de voorraad die zij heeft gekocht van [eiser] . Volgens [eiser] heeft zij recht op betaling van € 232.562,85. Dit is de waarde van de courante voorraad die partijen zijn overeengekomen. Ter onderbouwing van deze stelling wijst [gedaagde] op de e-mails tussen partijen over de waarde van de voorraad. </para>
        <para>
          [gedaagde] meent dat de koopprijs van de courante voorraad € 122.000 bedraagt en dat [eiser] recht heeft op dit bedrag. Het bedrag waar [eiser] naar verwijst, ziet op de waarde van de gehele voorraad, niet de courante voorraad. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Of [eiser] recht heeft op een koopsom van € 232.562,85 hangt af van wat partijen hierover hebben afgesproken. De overeenkomst tussen partijen moet worden uitgelegd. Daarbij moet ook gekeken worden naar wat [eiser] en [gedaagde] tegen elkaar hebben gezegd en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden. Niet alleen de letterlijke tekst van de overeenkomst is relevant, maar ook deze andere omstandigheden.<footnote-ref linkend="_02639182-46ff-46c4-b8d0-d1cd6696778b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De rechtbank volgt [eiser] in haar uitleg dat [gedaagde] een bedrag van € 232.562,85 moet betalen voor de overgenomen voorraad. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd:</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.5.1.</nr>
        <para>De overeenkomst bepaalt in artikel 9 dat de voorraad wordt gekocht op de closing datum en dat is 31 juli 2022. Zoals [eiser] ter zitting heeft verklaard, was de overname van het bedrijf door [gedaagde] op dat moment nog niet rond. De overname was pas rond november 2022 definitief. [gedaagde] heeft deze stelling niet betwist. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.2.</nr>
        <para>Voor het bepalen van de koopsom van de voorraad was het noodzakelijk dat de waarde van de aanwezige voorraad werd vastgesteld. Ook is tussen partijen niet in geschil dat het van belang was dat daarbij een schifting werd gemaakt tussen courante voorraad en incourante voorraad. Zoals de advocaat van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling aangaf, lag er in het magazijn behoorlijk wat ‘oude meuk’ die voor [gedaagde] geen waarde had. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.3.</nr>
        <para>
          [eiser] heeft vervolgens aan twee medewerkers van [gedaagde] de opdracht gegeven om de aanwezige voorraad in het magazijn te tellen. Zoals de rechtbank het tijdens de mondelinge behandeling heeft begrepen, heeft [gedaagde] de taak om de voorraad te tellen aan [eiser] overgelaten. [gedaagde] bevestigde namelijk ter zitting dat de heer [naam 4] van [gedaagde] bij de overname niet kon inschatten wat van de voorraad van waarde was en wat niet, zodat [eiser] dit voor [gedaagde] heeft gedaan. De heer [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat hij bij de telling de oude spullen die ook nog steeds in het magazijn stonden, niet heeft meegerekend als courante voorraad. De rechtbank leidt hieruit af dat [eiser] dus voor [gedaagde] een scheiding heeft gemaakt tussen courante en niet-courante voorraad. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.4.</nr>
        <para>Na deze telling heeft [eiser] per e-mails van 5 februari 2023 en 12 maart 2023 de waarde van de voorraad aan [gedaagde] medegedeeld. In de e-mail van 5 februari 2023 schrijft [eiser] dat de waarde van de reguliere voorraad per 31 december 2022 € 242.147,07 bedraagt. Dit bedrag is later door partijen gewijzigd in € 232.562,85. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.5.</nr>
        <para>
          [gedaagde] heeft in deze periode ook een controle laten uitvoeren op de getelde voorraad. [eiser] en [gedaagde] hebben tijdens een bespreking van 13 maart 2023 de eindafrekening van de overname opgemaakt. In die berekening wordt uitgegaan van een waarde van de voorraad van € 232.562,85.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.6.</nr>
        <para>Vanwege de hierboven geschetste feitelijke gang van zaken mocht [eiser] erop vertrouwen dat zij met [gedaagde] was overeengekomen dat de waarde van de courante voorraad € 232.562,85 bedroeg. [eiser] hoefde er geen rekening mee te houden dat [gedaagde] hier op een later moment op zou terugkomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit de koopprijs van de courante voorraad is. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] stelt dat voor de koopprijs moet worden gekeken naar de waarde van de voorraad toen [gedaagde] eind december 2023 is verhuisd. Zij heeft toen een telling gemaakt van wat zij mee wilde nemen naar de nieuwe bedrijfslocatie. Deze uitleg volgt niet uit de feitelijke gang van zaken, waarbij [eiser] voor [gedaagde] een scheiding heeft gemaakt tussen courante en niet-courante voorraad.</para>
        <para>De uitleg van [gedaagde] volgt ook niet uit de tekst van artikel 9 van de overeenkomst. Daarin is namelijk bepaald dat de waarde wordt bepaald op 31 juli 2022. Omdat de afronding van de overname langer duurde dan verwacht is de prijs door partijen pas definitief bepaald in maart 2023.<?linebreak?>Ook volgt de rechtbank [gedaagde] niet in haar uitleg, omdat dat betekent dat [gedaagde] anderhalf jaar lang kan doen met de voorraad wat zij wil en achteraf pas de prijs betaalt. Dat ligt niet voor de hand. </para>
        <para>Dat de waarde van de voorraad na anderhalf jaar neerkomt op een ander bedrag is niet vreemd. Dit kan verklaard worden door de voorraadmutaties die in deze tussenliggende periode hebben plaatsgevonden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>De conclusie van het bovenstaande is dat [gedaagde] de voorraad heeft gekocht voor een prijs van € 232.562,85. [gedaagde] is dus verplicht om dit bedrag nog aan [eiser] te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De vordering tot betaling van de overeengekomen provisie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat zij op grond van artikel 10 van de overeenkomst recht heeft op betaling van de provisie over de verkochte warmtepompen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat de provisie € 45.728,04 bedraagt en dat na verrekening op 4 september 2023 een vordering van € 21.383,16 van [eiser] op [gedaagde] resteert. [gedaagde] stelt dat zij niet gehouden is dit bedrag te betalen en beroept zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en op dwaling. [gedaagde] heeft deze verweren niet met feiten en omstandigheden gemotiveerd. [gedaagde] voldoet niet aan haar stelplicht. Het beroep op deze verweren kan daarom niet slagen. [eiser] heeft recht op het gevorderde bedrag van € 21.383,16.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De vordering tot betaling van het door [eiser] gedragen verlies over de tweede helft 2022</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat zij over de tweede helft van 2022 het verlies van [gedaagde] van € 89.477,00 heeft gedragen en dat zij recht heeft op terugbetaling van dit bedrag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat het geleden verlies in 2022 € 89.448,00 (en niet € 89.477,00) bedraagt. Dit blijkt uit de jaarrekening van 2023 die door [gedaagde] in het geding is gebracht. Ook staat tussen partijen vast dat de inkomsten en uitgaven na de closing datum van 31 juli 2022 nog liepen via de rekening van [eiser] . [eiser] en [gedaagde] zijn dat zo overeengekomen. In de tweede helft heeft het bedrijf dus gedraaid zoals het voor de overnamedatum ook deed. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verlies zoals uit de administratie is gebleken door [eiser] is gedragen, maar voor rekening komt van [gedaagde] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>Ter zitting heeft [gedaagde] nog betoogd dat dit bedrag niet juist is en dat het bedrag moet worden aangepast vanwege de vooruitbetalingen (de verkeerd geboekte omzet). Deze discussie is onderdeel van een andere procedure. [eiser] en [gedaagde] hebben dat ook op zitting bevestigd. De rechtbank kan dit verweer daarom hier niet behandelen. [eiser] heeft dus recht op betaling van € 89.448,00. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verrekening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>De conclusie van het voorgaande is dat [eiser] recht heeft op betaling van in totaal € 343.394,01 (€ 232.562,85 + € 21.383,16 + € 89.448,00). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord van 28 mei 2025 een beroep op verrekening gedaan. [gedaagde] wil haar vordering op [eiser] uit de eerdere vonnissen van 19 maart 2025 verrekenen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 19 maart 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <para>Dit verweer slaagt voor zover het vorderingen betreffen in de verhouding [eiser] en [gedaagde] . Dat komt neer op een bedrag van € 51.480,49 in hoofdsom. De rechtbank gaat uit van de verschuldigdheid van wettelijke rente over dat bedrag, zoals ook is geoordeeld in het vonnis van 19 maart 2025. Het bedrag aan hoofdsom (€ 51.480,490) en de verschuldigde wettelijke rente over de periode 19 maart 2025 - 28 mei 2025 (het moment waarop een beroep op verrekening is gedaan) strekken in mindering op het bedrag dat [gedaagde] op 28 mei 2025 aan [eiser] is verschuldigd.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De vordering tot betaling van wettelijke rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <para>
        [eiser] eist betaling van wettelijke rente over de haar gevorderde bedragen, allen vanaf een bepaalde datum. [eiser] laat na uit te leggen waarom [gedaagde] vanaf de door haar genoemde data wettelijke rente is verschuldigd. De gevorderde rente over de toegewezen bedragen gaat daarom lopen vanaf de datum van dagvaarding, te weten 21 februari 2025.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.657,65. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] stelt dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht en [gedaagde] heeft dit niet betwist. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding is niet in overstemming met het tarief uit het Besluit. De rechtbank wijst een bedrag van € 3.491,97 toe. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18.</nr>
      <para>
        [eiser] vraagt de rechtbank om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat het mogelijk is om de uitspraak meteen uit te voeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. [gedaagde] is het hier niet mee eens en voert verweer. [gedaagde] geeft aan dat zij bang is dat [eiser] het door haar betaalde bedrag niet terugbetaalt als [gedaagde] in hoger beroep gelijk krijgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19.</nr>
      <para>Om te bepalen of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen en beslissen wiens belang zwaarder weegt. Het uitgangspunt is dat [eiser] bij de veroordeling tot betaling van een geldsom belang heeft om de uitspraak meteen uit te kunnen laten voeren. Daartegenover staat het belang van [gedaagde] dat een betaalde geldsom niet kan worden terugbetaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20.</nr>
      <para>De rechtbank wijst het verzoek van [gedaagde] af. [gedaagde] stelt belang te hebben bij behoud van de bestaande toestand, omdat zij het risico loopt dat [eiser] niet kan terugbetalen. [gedaagde] moet dit standpunt dan wel concreet maken en dat heeft zij niet gedaan. Hierdoor kan niet gezegd worden dat het belang van [gedaagde] zwaarder weegt. Het vonnis zal daarom voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De proceskostenveroordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.21.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Uitgaande van het toegewezen bedrag in hoofdsom worden de proceskosten van [eiser] begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>122,35</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>6.861,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>5.428,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2 punten × € 2.714,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>12.589,35</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 343.394,01, </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 21 februari 2025 tot de dag van volledige betaling, en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>te verminderen met het verrekeningsbedrag op 28 mei 2025 van € 51.480,49 en de wettelijke rente hierover van 19 maart 2025 tot en met 28 mei 2025,</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.491,97 aan buitengerechtelijke kosten,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 12.589,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Goedegebuur en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_02639182-46ff-46c4-b8d0-d1cd6696778b" label="1">
    <para>Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>