<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:569</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-10T10:03:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE - 25 _ 6705</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2026/223</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:569">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:569</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T16:12:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:569 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-02-2026 / BRE - 25 _ 6705</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:569:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>VOVO</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:569:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 25/6705 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , verzoeker,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 24 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan verzoeker zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2014, 2015 en 2016, een conserverende aanslag IB/PVV voor het jaar 2016, en een aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen met de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014, 2015 en 2016 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 zijn ook boetes aan verzoeker opgelegd en is belastingrente aan verzoeker in rekening gebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tegen de uitspraken op het bezwaar met betrekking tot voornoemde aanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank. De beroepen zijn bekend onder de zaaknummers 25/2683 tot en met 25/2687.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verzoeker heeft eerder, op 29 mei 2025, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Daarop is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank beslist op 7 juli 2025.<footnote-ref linkend="_40bae8fa-ef1c-4d17-a8be-8efcbd06e201" /> Op 27 augustus 2025 heeft verzoeker opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Daarop is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank beslist op 22 december 2025.<footnote-ref linkend="_35104958-1cfa-4ed1-ac83-735710aeb4a0" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>In het onderhavige verzoekschrift verzoekt verzoeker primair om alle aan verzoeker opgelegde aanslagen IB/PVV die onderwerp zijn van de lopende beroepsprocedures te schorsen tot aan de uitspraak in die beroepsprocedures. Subsidiair verzoekt verzoeker te bepalen dat verzoeker geen betalingen hoeft te verrichten zolang de beroepsprocedures aanhangig zijn.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het ingekomen verzoekschrift van verzoeker doorgezonden aan de inspecteur en de inspecteur heeft daarop gereageerd. Verzoeker heeft daarna nog aanvullende stukken ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen zitting, direct uitspraak</emphasis>
      </para>
      <para>2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Als een verzoek kennelijk ongegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor de zitting.<footnote-ref linkend="_77be1cf5-92e0-46d4-b577-6ed82aa581ba" /> De voorzieningenrechter heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en daarom een zitting achterwege gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Herhaald verzoek om voorlopige voorziening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter constateert dat dit het derde verzoek is van verzoeker in het kader van de beroepen met zaaknummers 25/2683 tot en met 25/2687. Het verzoek betreft in de kern steeds grotendeels hetzelfde, namelijk het bereiken van uitstel van betaling dan wel schorsing van de aanslagen. Verzoeker verzoekt om schorsing van de aanslagen en bijbehorende beschikkingen (zie 1.1) in afwachting van de uitkomst van de daartegen ingestelde beroepen omdat de ontvanger van de Belastingdienst geen uitstel van betaling heeft verleend en op dit moment overgaat tot invordering. De gevolgen van invordering hebben volgens verzoeker voor hem verstrekkende en onomkeerbare gevolgen omdat hij in het buitenland verblijft, dit gevolgen heeft voor zijn kredietwaardigheid en reputatie en gevolgen heeft, of kan hebben, voor een internationale verblijfs- en investeringsprocedure. Voor het slagen van die procedure stelt verzoeker dat het vereist is dat zijn vermogen gedurende een bepaalde periode beschikbaar en vrij van beslag is. Invordering zou deze procedure volgens verzoeker doorkruisen en daarmee een situatie creëren die achteraf niet meer kan worden hersteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Een herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan slechts voor toewijzing in aanmerking komen als sprake is van een terecht beroep op nieuwe feiten of omstandigheden door verzoeker.<footnote-ref linkend="_c7bfa0b0-bbf3-4a8f-b20d-629ff4904d58" /> Het moet gaan om feiten of omstandigheden die verzoeker ten tijde van het vorige verzoek niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, of nieuwe feiten of omstandigheden van na de uitspraak op het vorige verzoek, die een herhaald verzoek rechtvaardigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Voor een gedeelte betreft dit verzoek een herhaling en zijn het geen nieuwe feiten of omstandigheden. Het verzoek van verzoeker stuit gedeeltelijk daarop af. Verzoeker heeft in dit verband ook aangevoerd dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 22 december 2025 ervan uit is gegaan dat de betreffende aanslagen door de ontvanger niet worden ingevorderd. Tussen partijen staat inmiddels vast dat dit onjuiste informatie was, dan wel miscommunicatie met de rechtbank, want de Ontvanger heeft geen uitstel van betaling verleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker zich gedeeltelijk terecht beroept op nieuwe feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter is eerder uitgegaan van de situatie dat er uitstel van betaling was verleend door de Ontvanger, maar dat blijkt dus niet zo te zijn. De feitelijke situatie ligt dus anders dan waarvan de voorzieningenrechter in de uitspraak van 22 december 2025 is uitgegaan en in zoverre is sprake van relevante nieuwe feiten. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom hierna gedeeltelijk opnieuw of het verzoek om een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking komt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling van het verzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para> Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter stelt voorop dat de belastingkamer van de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over de rechtmatigheid van de door de invorderingsambtenaar genomen invorderingsmaatregelen. Daarvoor is een rechtsgang geopend bij de civiele rechter. Voor zover het verzoek is gericht op de rechtmatigheid van (eventuele) invordering van de aanslagen, zal verzoeker zich voor een beslissing tot de civiele rechter moeten wenden. De voorzieningenrechter zal zich in zoverre dan ook kennelijk onbevoegd verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Voor het overige is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening om schorsing van de aanslagen. Om een voorlopige voorziening op financiële gronden te rechtvaardigen is vereist dat verzoeker aannemelijk dient te maken dat hij in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren door de verplichting te moeten betalen<footnote-ref linkend="_3bd3946c-5464-442d-8c78-35d7ca5cbeb4" /> of dat sprake is van zodanig nadelige gevolgen dat hij bij het uitblijven van een voorlopige voorziening ernstig en onherstelbaar nadeel zal leiden.<footnote-ref linkend="_9acafbbc-80bd-48f0-b949-1f63fa4d177f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Verzoeker beoogt met zijn verzoek in wezen te bewerkstelligen dat hij gedurende de reguliere procedures over de aanslagen vrijelijk over zijn vermogen kan blijven beschikken en probeert dat (ook) te bereiken via schorsing van de aanslagen. Dat is volgens verzoeker van belang voor zijn “lopende internationale verblijfs- en investeringsprocedure”. Over die kennelijk lopende procedure in enig buitenland, verstrekt verzoeker expliciet geen informatie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Dat er sprake is van een zodanige situatie op dit moment of in de nabije toekomst waardoor de hoofdprocedure niet kan worden afgewacht, is niet aannemelijk geworden. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in een “verblijfs- en investeringsprocedure” in een buitenland zit en dat dit buitenland – welk buitenland is onduidelijk – voor verzoeker negatieve gevolgen verbindt aan het bestaan van de Nederlandse belastingaanslagen. De voorzieningenrechter merkt voorts op dat het enkele feit dat bepaalde landen bij het verstrekken van een verblijfsvisum in negatieve zin meewegen of er openstaande belastingaanslagen in het land van herkomst zijn, niet maakt dat dan automatisch de belastingaanslagen in Nederland moeten worden geschorst door de voorzieningenrechter. Bijkomende zwaarwegende omstandigheden zijn niet gesteld dan wel onvoldoende onderbouwd. Ook de overige gestelde punten zijn onvoldoende voor een ander oordeel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Ten aanzien van het verzoek om schorsing van de aanslagen, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond af.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af voor zover verzoeker vraagt om schorsing van de aanslagen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart zich onbevoegd voor zover het verzoek ziet op de invorderingsmaatregelen betreffende de aanslagen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 2 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_40bae8fa-ef1c-4d17-a8be-8efcbd06e201" label="1">
    <para> Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4275.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35104958-1cfa-4ed1-ac83-735710aeb4a0" label="2">
    <para> Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9166.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_77be1cf5-92e0-46d4-b577-6ed82aa581ba" label="3">
    <para> Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7bfa0b0-bbf3-4a8f-b20d-629ff4904d58" label="4">
    <para> Vgl. bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2910.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3bd3946c-5464-442d-8c78-35d7ca5cbeb4" label="5">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX4378.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9acafbbc-80bd-48f0-b949-1f63fa4d177f" label="6">
    <para> Gerechtshof Arnhem 3 juli 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX4970.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>