<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:455</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-27T14:00:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02-312148-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:455">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:455</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-27T14:00:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:455 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-01-2026 / 02-312148-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:455:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering verlenging tbs met voorwaarden. Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:455:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold caps">Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 02-312148-22</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van: </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [betrokkene]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995</para>
      <para>verblijvende in de [tbs-kliniek] te [plaats] (de instelling)</para>
      <para>hierna: betrokkene </para>
      <para>raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para>Bij vonnis van deze rechtbank van 22 december 2023 is betrokkene voor bedreiging, vernieling, tweemaal mishandeling van een ambtenaar en belediging<?linebreak?>veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden. Hierbij is dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden bevolen. Bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 22 april 2025 is het vonnis van de rechtbank bevestigd en is eveneens dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden bevolen. Het arrest van het hof is op 7 mei 2025 onherroepelijk geworden.</para>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop </title>
    <para>De rechtbank heeft op 3 december 2025 van het Openbaar Ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met voorwaarden. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026 behandeld. De officier van justitie, mr. M.A.M. Dekker, is gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsman B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg. Ook is als deskundige gehoord mevrouw [naam] , reclasseringsmedewerker. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vordering</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie nietontvankelijk is in de vordering tot verlenging van de tbs met voorwaarden, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 november 2024. Daarin is bepaald dat als het gerechtshof in hoger beroep binnen de eerste termijn van twee jaar van de lopende (want dadelijk uitvoerbaar verklaarde) tbs een dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden oplegt, deze tbs voor de duur van twee jaar vanaf de datum van het onherroepelijk worden van het arrest van het hof geldt. De vordering is om deze reden te vroeg ingediend.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft eveneens aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering tot verlenging van de tbs.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Op grond van artikel 6:6:11, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een vordering tot verlenging van de tbs niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de tbs door tijdsverloop zal eindigen, worden ingediend. </para>
        <para>Uit artikel 38d, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat de tbs voor de duur van twee jaar geldt, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij deze is opgelegd onherroepelijk is geworden. </para>
        <para>Als de rechter bij de oplegging van de tbs met voorwaarden het bevel geeft dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, brengt volgens de Hoge Raad (HR 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729) een redelijke wetsuitleg mee dat in die situatie de termijn van de tbs begint op het ogenblik waarop het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden ingaat. De termijn van de nog niet onherroepelijke, dadelijk uitvoerbaar verklaarde tbs (met voorwaarden) kan twee jaar na begin van die termijn worden verlengd ex artikel 38d, tweede lid Sr. </para>
        <para>In datzelfde arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als het gerechtshof in hoger beroep binnen de eerste termijn van twee jaar van een in eerste aanleg dadelijk uitvoerbaar verklaarde en dus lopende tbs maatregel een dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden oplegt (al dan niet door het vonnis van de rechtbank te bevestigen), die opgelegde tbs op grond van artikel 38d, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht geldt voor de duur van twee jaar vanaf de datum van het arrest van het hof. In dat geval kan een vordering tot verlenging van de tbs achterwege blijven, omdat de rechterlijke toets die plaatsvindt bij een verlengingsbeslissing kan worden geacht te hebben plaatsgevonden in de onderliggende strafzaak. </para>
        <para>Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (21 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5187) heeft daarbij geoordeeld dat er in een dergelijk geval geen keuzebevoegdheid voor het Openbaar Ministerie bestaat om een verlengingsvordering gebaseerd op de feitelijke startdatum van de termijn van de tbs in te dienen. De einddatum van de maatregel is in die omstandigheid duidelijk, namelijk twee jaar na de datum van het onherroepelijk worden van het arrest. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In onderhavige zaak is het vonnis van deze rechtbank van 22 december 2023 bevestigd bij het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 22 april 2025. Dit arrest is op 7 mei 2025 onherroepelijk geworden. Het hof heeft een tbs met voorwaarden opgelegd en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Gelet op het voorgaande is stelt de rechtbank vast dat de termijn van de tbs in de onderhavige zaak weliswaar is gestart in januari 2024, maar binnen twee jaar na deze datum het arrest van het hof onherroepelijk is geworden.    </para>
        <para>Dit betekent dat de maatregel op 7 mei 2027 eindigt, behoudens een nog in te dienen vordering tot verlenging binnen de termijn van artikel 6:6:11, tweede lid, Sv. </para>
        <para>De vordering tot verlenging van de tbs met voorwaarden is daarmee te vroeg ingediend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de officier van justitie nietontvankelijk is in de vordering tot verlenging van de tbs. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:	</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">verklaart</emphasis> het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is genomen door mr. R. Combee, voorzitter,</para>
      <para>en mr. K. Verschueren en mr. N. van der Hoeven, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>