<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:270</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T14:55:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 25/968</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:270">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:270</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T14:47:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:270 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-01-2026 / BRE 25/968</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:270:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gedeeltelijke afwijzing compensatie o.g.v. de Wet hersteloperatie toeslagen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:270:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 25/968 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag over toeslagjaar 2008. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiser geen compensatie heeft verstrekt voor toeslagjaar 2008. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 14 december 2022 ( [kenmerk] ; primair besluit) voor wat betreft toeslagjaar 20007 toegewezen en voor wat betreft de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 afgewezen. Met het bestreden besluit van </para>
      <para>30 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser voor wat betreft 2007 gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] namens de Dienst Toeslagen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het bestreden besluit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiser heeft twee kinderen. De Dienst Toeslagen heeft bij verschillende besluiten de eerder vastgestelde voorschotten voor kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 op nihil vastgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op 1 februari 2021 heeft eiser zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Met het besluit van 4 juni 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan eiser een bedrag van </para>
        <para>€ 30.000,- toegekend op basis van de Catshuisregeling<footnote-ref linkend="_e15f35f5-6333-4963-8bc8-da02684632bf" />. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op 1 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen aangekondigd dat extra compensatie voor het toeslagjaar 2007 wordt verstrekt van € 59.032,-. Het voorlopige compensatiebedrag komt daarmee uit op € 89.032,-. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen de definitieve compensatie voor het toeslagjaar 2007 vastgesteld op € 89.314,-, inclusief immateriële schadevergoeding. Met dit besluit heeft de Dienst Toeslagen daarnaast overwogen dat eiser over de jaren 2008 tot en met 2010 geen recht heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Eiser heeft het bezwaar kunnen toelichten op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie op 8 augustus 2024.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestreden besluit </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de compensatie voor toeslagjaar 2007. Het nieuwe compensatiebedrag bedraagt € 92.305,-. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor het overige heeft de Dienst Toeslagen eisers bezwaar ongegrond verklaard. </para>
        <para>In 2008 had eiser evident geen recht op kinderopvangtoeslag, nu hij geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn oudste kind naar school ging en hij het jongste kind meenam naar werk. Verder is niet, althans onvoldoende, gebleken dat eiser zich in een uitzonderlijke situatie verkeerde waardoor sprake was van hardheid.</para>
        <para>Voor wat betreft het jaar 2009 blijkt uit het overzicht van het Landelijk Incassocentrum dat er wel kinderopvangtoeslag op het rekeningnummer van eiser is uitbetaald. Een deel van dit bedrag is verrekend met de kinderopvangtoeslag over 2007. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen grond voor compensatie op grond van hardheid op. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beroepsgronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Eiser heeft aangevoerd dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft aangenomen dat hij het jongste kind altijd meenam naar het werk. Daar is geen sprake van geweest. Dit blijkt ook niet uit het verslag van de hoorzitting. Eiser heeft verklaard dat hij nadat de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag was gestopt, zijn kind meenam naar zijn werk. Het faillissement is uitgesproken op [datum] 2008, vanaf toen heeft eiser geen kinderopvangtoeslag meer ontvangen, en is geëindigd op 10 februari 2009.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte gesteld dat de kinderopvangtoeslag ook nadat het faillissement was uitgesproken is uitbetaald op eisers rekening. De te ontvangen gelden kwamen binnen bij de curator die een bestaande rekeningnummer niet hoeft op te heffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verweerschrift</title>
    <para />
    <para>5. De Dienst Toeslagen is tot de conclusie gekomen dat eiser evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in de toeslagjaren 2008 tot en met 2010, omdat op basis van de gegevens en zijn verhaal niet vastgesteld kon worden dat aan de volgende cumulerende voorwaarden was voldaan:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>De ouder heeft kinderopvang genoten bij een erkende kinderopvanginstelling; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de ouder heeft gewerkt of was doelgroeper. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>In het gesprek met de persoonlijke zaakbehandelaar op 30 augustus 2022 heeft eiser aangegeven dat in 2008 de gastouders niet langer gastouder waren, het oudste kind naar school ging, het jongste kind overal mee naar toe ging en dat hij en zijn (ex-)toeslagpartner geen werk hadden/een bijstandsuitkering ontvingen in 2008 en 2009. In de gronden van bezwaar en tijdens de hoorzitting van 8 augustus 2024 heeft eiser aangegeven dat in 2008 wel sprake was van opvang en dat beide ouders wel werkten. In het dossier en de systemen heeft de Dienst Toeslagen echter geen stukken aangetroffen die deze verklaringen ondersteunen. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Juridisch kader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiser voor compensatie over toeslagjaar 2008 heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ook beslist over de compensatie voor de toeslagjaren 2007, 2009 en 2010. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de weigering compensatie te verstrekken voor de toeslagjaren 2007 en 2010. De rechtbank beoordeelt deze jaren daarom niet. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat de compensatie voor toeslagjaar 2009 ook niet meer in geschil is. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dat deel van het besluit dan ook niet meer bespreken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in toeslagjaar 2008. Het beroep spitst zich toe op de vraag of desondanks geen recht op compensatie bestaat, omdat sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan eiser toerekenbaar zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Achtergrond</emphasis>
        </para>
        <para>8. 	In de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in voorgaande jaren zijn fouten</para>
        <para>gemaakt, waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om burgers te compenseren voor deze fouten. Het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. De compensatie wordt door verweerder toegekend. De uitvoering van deze regelingen is belegd bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de primaire compensatiebesluiten gebaseerd zijn op de compensatieregeling van artikel 49 en artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de beleidsregels zoals neergelegd in het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (Besluit Compensatieregeling). Met ingang van 5 november 2022 is de Wht van kracht. Voornoemde compensatieregeling is met ingang van die datum ondergebracht in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht wordt de compensatie niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Hiervan is in ieder geval sprake als er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in het betreffende jaar. “Evident geen recht” houdt in dat er in redelijkheid geen twijfel is dat een betrokkene niet in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag.<footnote-ref linkend="_c278e491-71ae-46ef-a92a-69a0f1c683da" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Was in 2008 sprake van ernstige onregelmatigheden die aan eiser toerekenbaar zijn?</emphasis>
        </para>
        <para>9. 	De Dienst Toeslagen is er op basis van objectieve gegevens vanuit gegaan dat eiser niet heeft gewerkt in 2008. Eiser heeft gesteld dat hij destijds wel heeft gewerkt, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft hij nagelaten dit te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens. Ook in de bezwaarfase is eiser in de gelegenheid gesteld om deze stelling te onderbouwen, maar hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft er dan ook vanuit mogen gaan dat eiser niet heeft gewerkt in 2008. Voor eisers stelling dat zijn partner destijds ook heeft gewerkt geldt hetzelfde. </para>
        <para>Het voorgaande geldt ook voor de vraag of er in 2008 kinderopvang is genoten. Eiser heeft namelijk ter onderbouwing van zijn stelling dat er wel kinderopvang is genoten ook geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorstaande bestond er over toeslagjaar 2008 evident geen recht op kinderopvangtoeslag, zodat de Dienst Toeslagen er vanuit mocht gaan dat sprake was van ernstige onregelmatigheden. De Dienst Toeslagen heeft dus terecht overwogen dat eiser geen recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2008.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>10.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag voor compensatie voor toeslagjaar 2008 terecht is afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 22 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wet hersteloperatie toeslagen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2.1</para>
    </parablock>
    <para>1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:</para>
    <para>a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of</para>
    <para>b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.</para>
    <para>2. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.</para>
    <para>(…)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 8.6</para>
      <para>Beschikkingen ter zake van compensatie (…) die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 onderscheidenlijk 4.2, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 of 4.2 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 49 (geldend van 7 juli 2020 tot en met 4 november 2022)</para>
    </parablock>
    <para>1. In gevallen waarin toepassing van deze wet, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang, heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van de belanghebbende te laten, is Onze Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij beschikking een hardheidstegemoetkoming toe te kennen.</para>
    <para>2. Toekenning van de hardheidstegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op een voor 1 januari 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen gedaan verzoek van de belanghebbende die geen beroep kan doen op herziening van de beschikking tot vaststelling of tot terugvordering omdat vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop die beschikking betrekking heeft en een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, is verstreken.</para>
    <para>3. De hardheidstegemoetkoming betreft de voor de belanghebbende nadelige gevolgen van de beschikking tot vaststelling of tot terugvordering, bedoeld in het tweede lid, voor zover die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen. De onevenredigheid van die gevolgen wordt weggenomen door het vaststellen van de beschikking tot toekenning van de hardheidstegemoetkoming overeenkomstig:</para>
    <para>a. herziening van de beschikking tot vaststelling waarbij het recht op kinderopvangtoeslag per berekeningsjaar wordt vastgesteld naar rato van het bedrag aan kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald, of;</para>
    <para>b. herziening van de beschikking tot terugvordering onder bijzondere omstandigheden.</para>
    <para>(…)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 49b (geldend van 7 juli 2020 tot en met 4 november 2022)</para>
    </parablock>
    <para>1. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kan de rijksbelastingdienst in verband met een samenstel van zijn handelingen waarbij sprake is van institutionele vooringenomenheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang, volgens bij die regeling te stellen regels en binnen bij die regeling te stellen kaders, aan de belanghebbenden compensatie verlenen. Deze compensatie geschiedt in verband met het door die handelingen door die belanghebbenden ondervonden nadeel, voor zover de reguliere bestuursrechtelijke rechtsmiddelen voor 23 oktober 2019 onvoldoende toereikend werden geacht om dit nadeel geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en dit nadeel niet is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan de belanghebbenden toerekenbaar zijn. Het vaststellen van de beschikking tot toekenning van de compensatie geschiedt op een door de belanghebbende voor 1 januari 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen gedaan verzoek. De compensatie blijft achterwege voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is of wordt voorzien. (…)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken</emphasis>
      </para>
      <para>(geldend van 8 september 2020 tot en met 4 november 2022, vervallen per 2 februari 2023 met terugwerkende kracht tot en met 5 november 2022)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit besluit bevat beleidsregels voor de verstrekking van een compensatie aan ouders vanwege de institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Doelgroep</para>
    <parablock>
      <para>Dit besluit voorziet in een compensatie voor de ouder die deel uitmaakte van het CAF 11-onderzoek (onderdeel 2.1), die deel uitmaakte van een vergelijkbaar (CAF-)onderzoek</para>
      <para>(onderdeel 2.2) of die aannemelijk maakt dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (onderdeel 2.3).</para>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Vergelijkbare (CAF-)onderzoeken</para>
        <para>(…)</para>
        <para>De Adviescommissie heeft in haar advies de (CAF-)onderzoeken geïdentificeerd waarin waarschijnlijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of waarin mogelijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze. De Belastingdienst/Toeslagen zal voor deze (CAF-)onderzoeken aan de hand van de door de Adviescommissie beschreven kenmerken beoordelen of daadwerkelijk sprake was van een institutioneel vooringenomen handelwijze. Het gaat hierbij om de volgende kenmerken:</para>
      </parablock>
      <para>1. Een collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (‘zachte stop’).</para>
      <para>2. Het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren.</para>
      <para>3. Een zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden.</para>
      <para>4. Het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.</para>
      <para>5. Het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.</para>
      <parablock>
        <para>Bij de beoordeling van de (CAF-)onderzoeken aan deze kenmerken gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een onderzoek. De afwezigheid van één kenmerk betekent niet dat er geen sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze evenmin als dat de aanwezigheid van meerdere kenmerken per definitie een institutioneel vooringenomen handelwijze betekent. De beoordeling geschiedt op basis van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, inclusief het onderzoeksdossier.</para>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_e15f35f5-6333-4963-8bc8-da02684632bf" label="1">
    <para> Stcrt. 2021, 14691.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c278e491-71ae-46ef-a92a-69a0f1c683da" label="2">
    <para> Rechtbank Amsterdam 18 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8177.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>