<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T15:50:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE - 25/1402 en 25/1403</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2026012808</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2026/157</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2026-0193</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:227">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T11:25:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:227 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-01-2026 / BRE - 25/1402 en 25/1403</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:227:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanslagen IB/PVV en Zvw 2021, omkering en verzwaring bewijslast, redelijke schatting, verzuimboete, ISV</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:227:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: BRE 25/1402 en 25/1403</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 januari 2026 in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 21 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikking belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden samengevat:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="8">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <colspec colname="colE" />
          <colspec colname="colF" />
          <colspec colname="colG" />
          <colspec colname="colH" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Zaaknr.</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Jaar</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Soort</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Dagtekening</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Aanslagnummer</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Belasting</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Boete</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Rente</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>25/1402</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>2021</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>IB/PVV</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>20-12-2023</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  [BSN] .H.16.01</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 105.500</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 385</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 8.015</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>23/1403</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>2021</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Zvw</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>20-12-2023</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  [BSN] .W.16.01.4</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 2.190</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="strike-through">-</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 167</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de zaken op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Gelijktijdig zijn ook de zaken van belanghebbende met 22/1764, 22/2096, 22/5536, 23/1899 tot en met 23/1903, 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702, en de zaken van [persoon] , de echtgenote van belanghebbende, met nummers 23/11555 tot en met 23/11558 behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] , [inspecteur 6] en [inspecteur 7] . Van hetgeen ter zitting is besproken is één proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen verzonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. De griffier heeft op 11 augustus 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende voor de onderhavige zaken is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 11 augustus 2025  heeft ontvangen.<footnote-ref linkend="_7863e019-2b7b-4cea-826e-3405f36309fa" /> De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De rechtbank leidt overigens uit het verdagingsverzoek van belanghebbende (zie 4.1) af dat belanghebbende op de hoogte was van de zitting en dat hij ervoor heeft gekozen om bij afwijzing van het verdagingsverzoek niet ter zitting te verschijnen. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van belanghebbende.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Belanghebbende drijft in 2021 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak met de handelsnaam [eenmanszaak] . De activiteiten bestaan uit interim ICT management &amp; consultancy opdrachten in het SAP/ICT applicatiedomein. Op 30 april 2023 is de onderneming opgeheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verder is belanghebbende in 2021 in loondienst bij [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [bedrijf 2] is opgericht per 13 januari 2021. Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is bij oprichting [de zoon] , de zoon van belanghebbende (de zoon). De activiteiten van [bedrijf 2] bestaan uit consultancy werkzaamheden, namelijk interim management bij ICT-projecten. De werkzaamheden worden uitgevoerd door belanghebbende. De zoon verricht buiten zijn functie als bestuurder, geen werkzaamheden voor [bedrijf 2] . Hij is elders fulltime in dienstbetrekking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 27 september 2021 is een leningsovereenkomst gesloten tussen [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door de zoon, en belanghebbende, waarin is overeengekomen dat [bedrijf 2] € 113.004,19 aan belanghebbende heeft geleend. Hiermee gaat belanghebbende akkoord dat de bedragen die vanuit [bedrijf 2] via de rekening-courant in de periode 1 januari 2021 tot en met 31 augustus 2021 op de privérekening van de zoon zijn betaald, voor zijn rekening komen. De rente bedraagt 7% per jaar. Er is zekerheid gesteld in de vorm van een pandrecht. Het pandrecht ziet op de inboedel aanwezig in de woning van belanghebbende aan [adres] in [plaats] . De lening moet ineens met rente op 31 december 2031 worden afgelost. Belanghebbende heeft de lening aan [bedrijf 2] (nog) niet terugbetaald. De verschuldigde rente is bijgeschreven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Alle aandelen in [bedrijf 2] zijn per 12 november 2021 door de zoon overgedragen aan belanghebbende. Belanghebbende is vanaf dat moment ook enig bestuurder van [bedrijf 2] . Per 20 april 2023 is [bedrijf 2] uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Het onderzoek is later uitgebreid met de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2021. De inspecteur heeft de bevindingen van het boekenonderzoek vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 30 augustus 2023.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Belanghebbende is uitgenodigd om een aangifte IB/PVV en Zvw te doen voor het jaar 2021 (de aangifte). Belanghebbende heeft vervolgens diverse keren om uitstel verzocht. Het laatste uitstel is verleend tot 1 augustus 2023. Vervolgens is belanghebbende op 29 augustus 2023 herinnerd en op 30 oktober 2023 aangemaand om aangifte te doen. In de aanmaning is vermeld dat de aangifte voor 21 november 2023 moest zijn ingediend. Belanghebbende heeft binnen die termijn geen aangifte IB/PVV en Zvw 2021 gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 2] en daarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 en de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2021 tot en met 30 september 2022 onderzocht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De inspecteur heeft de bevindingen van het boekenonderzoek bij [bedrijf 2] vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 5 oktober 2023. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“5</emphasis>
          <emphasis role="bold italic"> Loonheffingen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uit onze gegevens is gebleken dat:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* ingaande 12 november 2021 worden de aandelen overgedragen aan de heer [belanghebbende] ;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* de heer [belanghebbende] vanaf 12 november 2021 (fictief) in dienstbetrekking is bij de vennootschap en een aanmerkelijk belang in deze vennootschap bezit;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* inzake de heer [belanghebbende] is derhalve de gebruikelijkloonregeling conform artikel 12a Wet LB ingaande 12 november 2021 van toepassing;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* de vennootschap inzake de arbeidsverhouding met de heer [belanghebbende] een loon verantwoord ad € 18.621 over het jaar 2021 en € 48.000 over het jaar 2022;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* de heer [belanghebbende] € 201.281 (€ 88.227 en € 113.004,29 onzakelijke lening) over het jaar 2021 en € 251.192 over het jaar 2022 aan de vennootschap heeft onttrokken;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* ingaande 4 januari 2021 wordt een bedrijfsauto (personenauto BMW 5 serie met [kenteken] cataloguswaarde € 81.375) aan de heer [belanghebbende] ter beschikking gesteld;”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 ambtshalve opgelegd (zie 1.1). De aanslag IB/PVV 2021 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 228.498. Dit inkomen kan als volgt worden gespecificeerd:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Loon [bedrijf 1]</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 1.750</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Loon [bedrijf 2] </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 18.621</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Uitkering gemeente Oss</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>-/- € 150</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Privégebruik auto</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 17.902</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Opnamen uit [bedrijf 2]</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 201.321</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Inkomsten uit eigen woning (€ 2.760 -/- € 13.706)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>-/- € 10.946</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 228.498</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen niet te hoog vastgesteld<emphasis role="italic">.</emphasis> De boete bij de aanslag IB/PVV 2021 is terecht aan belanghebbende opgelegd, maar moet worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Motivering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vooraf</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De dossiers</emphasis>
      </para>
      <para>4. De rechtbank heeft een groot aantal zaken van belanghebbende en zijn echtgenote gelijktijdig op zitting behandeld. Voor deze zaken zijn verschillende dossiers aangelegd, die bestaan uit een veelheid aan stukken. De rechtbank heeft ter zitting medegedeeld dat alle stukken in alle zaken over en weer onverkort als ingelast zullen worden beschouwd. Dat betekent dat de rechtbank in haar beoordeling van de zaken alle stukken die zijn gewisseld in ieder dossier zal betrekken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het verdagingsverzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bij brief van 27 oktober 2025 verzocht om verdaging van de zitting van 29 oktober 2025. Belanghebbende wil graag de uitkomst van een gesprek op 4 november 2025 in het kader van een Msnp-traject afwachten omdat het tijdens dat gesprek ook zal gaan over het stopzetten van alle beroepsprocedures.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaken besloten de zitting door te laten gaan en daaraan voorrang te geven boven het belang van belanghebbende om de behandeling van de zaken te laten plaatsvinden op een ander moment. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat de zaken al erg lang lopen, dat de uitkomst van het gesprek op 4 november 2025 onzeker is, en dat het verdagingsverzoek pas twee dagen voor de zitting is ingediend, zonder dat is gebleken dat belanghebbende het verzoek niet eerder had kunnen indienen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het na afloop van de zitting ingediende stuk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de zitting in alle zaken gesloten. Op 30 oktober 2025 is door belanghebbende een aanvullend stuk ingediend in de zaak met nummer 23/1899. In dat stuk stelt belanghebbende dat de rechtbank de behandeling van de zaken op zitting had moeten verdagen omdat een stuk van de inspecteur van 15 oktober 2025 pas op 29 oktober 2025 aan belanghebbende zou zijn doorgezonden. Volgens belanghebbende is hem de kans ontnomen om zichzelf te kunnen verdedigen en te kunnen voorbereiden op het aanvullend verweer van de inspecteur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het stuk van 15 oktober 2025 van de inspecteur, ingekomen bij de rechtbank op 17 oktober 2025, waaraan belanghebbende refereert, heeft betrekking op de zaak met nummer 23/1901 (IB/PVV 2015). De klacht van belanghebbende heeft in wezen dus alleen betrekking op die zaak en niet de onderhavige zaken. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de behandeling van alle zaken op de zitting van 29 oktober 2025 had moeten verdagen, is de rechtbank van oordeel – onder verwijzing naar haar motivering op dit punt in de uitspraak die de rechtbank op dezelfde dag doet ten aanzien van (onder meer) de zaak met nummer 23/1901 van belanghebbende – dat er geen aanleiding is het onderzoek te heropenen. Op grond van het procesreglement is het na de zitting ingekomen stuk van belanghebbende toegevoegd aan het dossier, maar de rechtbank laat het stuk bij haar beoordeling verder buiten beschouwing.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Aanslagen IB/PVV en Zvw 2021</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Omkering en verzwaring van de bewijslast</emphasis>
        </para>
        <para>5. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat op die grond de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Daarbij wijst de inspecteur erop dat belanghebbende voor het jaar 2021 geen aangifte heeft ingediend terwijl hij daartoe wel op regelmatige wijze is uitgenodigd en aangemaand.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.<footnote-ref linkend="_2aca3062-dfae-4b71-ae48-19244561fd9a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Vast staat dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2021 heeft ingediend vóór de in de aanmaning genoemde uiterste termijn en de vaststelling van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021. Belanghebbende betwist ook niet dat hij op regelmatige wijze is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021. Belanghebbende heeft alleen aangevoerd dat hij de aangifte bewust niet heeft gedaan, gelet op zijn eerdere ervaringen met het indienen van een aangifte IB/PVV tijdens een lopend boekenonderzoek. Dat is naar het oordeel van de rechtbank echter geen geldige reden om de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 niet te doen, te meer nu belanghebbende daarover niets heeft afgestemd met de inspecteur. Dat betekent dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De bewijslast wordt dus omgekeerd en verzwaard. Dat geldt zowel voor de aanslag IB/PVV 2021 als de aanslag Zvw 2021.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Redelijke schatting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 onjuist zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De inspecteur heeft zijn schatting gebaseerd op hem ter beschikking staande gegevens over het loon en het inkomen uit eigen woning van belanghebbende. Daarnaast heeft de inspecteur vastgesteld dat aan belanghebbende per 4 januari 2021 door [bedrijf 2] een auto ter beschikking is gesteld en heeft hij ter zake van het privégebruik daarvan een bijtelling in aanmerking genomen. Verder heeft de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens geconstateerd dat er in 2021 een bedrag van € 201.321 aan [bedrijf 2] is onttrokken. De inspecteur heeft dit bedrag aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden bij belanghebbende, omdat het volgens de inspecteur is toe te rekenen aan de werkzaamheden die belanghebbende via [bedrijf 2] heeft verricht en het bestuurder- en aandeelhouderschap van de zoon geen materiële betekenis had. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De rechtbank constateert op basis van de stukken dat alleen belanghebbende in 2021 werkzaamheden voor [bedrijf 2] heeft verricht en dat [bedrijf 2] voor haar omzet nagenoeg volledig afhankelijk is geweest van de inzet van belanghebbende op opdrachten. De rechtbank acht voldoende aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat de onttrekkingen – weliswaar via de bankrekening van de zoon – rechtstreeks aan belanghebbende ten goede zijn gekomen als feitelijke beloning voor de door hem verrichte werkzaamheden. Voor de periode tot 12 november 2021, waarin belanghebbende nog geen aandeelhouder of (fictief) werknemer van [bedrijf 2] was, is het een redelijk uitgangspunt om de onttrekkingen aan te merken als resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de periode vanaf 12 november 2021 tot een andere kwalificatie te komen. Nu de onttrekkingen vóór die datum reeds als beloning voor verrichte werkzaamheden hebben te gelden en de aard en omvang van de werkzaamheden nagenoeg ongewijzigd zijn gebleven, ligt het niet voor de hand dat belanghebbende genoegen zou hebben genomen met een aanmerkelijk lager gebruikelijk loon en het meerdere als dividend zou hebben genoten. De rechtbank acht het daarom niet onredelijk om ook voor de periode na 12 november 2021 de onttrekkingen aan te merken als beloning voor werkzaamheden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De rechtbank acht de schatting van de inspecteur dan ook niet gebaseerd op onredelijke of willekeurige uitgangspunten. De rechtbank merkt op dat zij het bedrag van € 201.321 niet volledig kan aansluiten met de cijfermatige uitgangspunten van de inspecteur, maar het door de rechtbank geconstateerde verschil van enkele tientallen euro’s kan ook de redelijkheidstoets doorstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dus sprake van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Op belanghebbende rust dan de last te doen blijken dat het geschatte inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de bijtelling op een te hoog bedrag is vastgesteld omdat [bedrijf 1] in januari en februari 2021 een bijtelling in aanmerking had moeten nemen en de bijtelling in november en december 2021 geacht moet worden in het gebruikelijk loon van [bedrijf 2] te zijn verdisconteerd;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ten onrechte onttrekkingen tot een bedrag van € 201.321 als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking zijn genomen. Aan de onttrekkingen liggen volgens belanghebbende zakelijke leningsovereenkomsten ten grondslag;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ten onrechte geen rekening is gehouden met premies van een arbeidsongeschiktheidsverzekering van in totaal € 300;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ten onrechte geen rekening is gehouden met een verlies uit de eenmanszaak van in totaal € 37.236.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.8.1.</nr>
        <para>Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de inspecteur een te hoog bedrag aan bijtelling in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat [bedrijf 1] in het kader van de loonheffing over de maanden januari en februari 2021 al rekening heeft gehouden met een bijtelling. Evenmin heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat [bedrijf 2] bij de verloning een splitsing heeft gemaakt tussen de looncomponent en de bijtellingscomponent van het gebruikelijk loon. Onder deze omstandigheden kan belanghebbende niet achteraf stellen dat (een deel van) de bijtelling reeds in het gebruikelijk loon is verdisconteerd. De inspecteur heeft de bijtelling dus terecht berekend over alle maanden in 2021.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.8.2.</nr>
        <para> Belanghebbende heeft verder niet doen blijken dat de onttrokken bedragen geen resultaat uit overige werkzaamheden zijn, maar daadwerkelijk ten goede zijn gekomen aan de zoon en dat de zoon deze vervolgens heeft geleend aan belanghebbende. Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat de redelijke schatting van het inkomen door de inspecteur te hoog is vastgesteld.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.8.3.</nr>
        <para>Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat hij recht heeft op een aftrek van in totaal € 300 voor premies van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De enkele omstandigheid dat de premieaftrek is opgenomen in de vooraf ingevulde aangifte, maakt niet zonder meer dat belanghebbende recht heeft op deze aftrek. Dat moet belanghebbende – tegenover de stelling van de inspecteur – overtuigend aantonen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Het dossier bevat geen enkel stuk waaruit blijkt dat belanghebbende deze premies in 2021 heeft betaald.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.8.4.</nr>
        <para>De rechtbank is tot slot van oordeel dat belanghebbende ook geen recht heeft op een verlies uit onderneming van in totaal € 37.236. De inspecteur heeft tijdens het boekenonderzoek geconstateerd dat belanghebbende vanaf januari 2021 geen werkzaamheden meer vanuit zijn eenmanszaak heeft verricht. Belanghebbende heeft daartegenover niet overtuigend aangetoond dat hij in 2021 nog wel werkzaamheden vanuit zijn eenmanszaak heeft verricht en dat de activiteiten van de eenmanszaak in 2021 kwalificeren als een bron van inkomen. Bovendien heeft belanghebbende de gestelde verliezen niet nader onderbouwd, waardoor de rechtbank niet kan controleren of de verliezen daadwerkelijk en in het kader van de eenmanszaak zijn geleden. Dat betekent dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat hij in 2021 recht heeft op het in aanmerking nemen van een verlies uit onderneming. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat het inkomen uit werk en woning voor het jaar 2021 te hoog is vastgesteld. De rechtbank laat de aanslag IB/PVV 2021 daarom in stand. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aanslag Zvw 2021</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de aanslag IB/PVV 2021 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook het bijdrage-inkomen voor de aanslag Zvw 2021 niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag verder ook geen zelfstandige gronden aangevoerd. De rechtbank laat de aanslag Zvw 2021 daarom ook in stand.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Belastingrente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente. Belanghebbende heeft tegen deze beschikkingen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het is de rechtbank overigens ook niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verzuimboete</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. Aan de belastingplichtige, die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en die de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd.<footnote-ref linkend="_44f1d07c-1937-464f-bff9-c0742b86d841" /> De inspecteur heeft in dit geval een verzuimboete opgelegd van 7 procent van het in 2021 geldende wettelijk maximum van € 5.514, ofwel € 385.<footnote-ref linkend="_66a36330-f510-4727-8f83-912de99c5f27" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Buiten redelijke twijfel staat vast dat belanghebbende de aangifte IB/PVV 2021 niet tijdig heeft ingediend, ondanks dat hij daartoe is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand. De verzuimboete is in beginsel dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Zoals de rechtbank onder 5.2 heeft overwogen, heeft belanghebbende geen geldige reden aangevoerd voor het achterwege laten van de aangifte en het levert in het kader van de boete ook geen afwezigheid van alle schuld op. Voor het aannemen van afwezigheid van alle schuld is immers vereist dat de belastingplichtige alle in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van hem of haar te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte tijdig wordt ingediend. Dat is hier niet het geval, nu belanghebbende – om hem moverende redenen – juist bewust heeft nagelaten om aangifte te doen zonder daarover in overleg te treden met de inspecteur. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht de boete van € 385 in dit geval passend en geboden. Wel is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (undue delay). De rechtbank stelt vast dat 20 december 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment de boete is opgenomen in de definitieve aanslag. De rechtbank doet uitspraak op 21 januari 2026. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan (afgerond) twee jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee maanden.<footnote-ref linkend="_589e48bd-f380-4650-bc51-9b5ea6ea4122" /> De rechtbank volstaat met deze constatering ter compensatie van de geconstateerde schending.<footnote-ref linkend="_cb05c071-04f6-44df-a5b7-0cd731404905" /><?linebreak?><emphasis role="underline">Immateriëleschadevergoeding</emphasis></para>
        <para>8. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overschrijding. Ook is de rechtbank van oordeel dat sprake is van samenhang met de zaken van belanghebbende met de nummers 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702. De rechtbank heeft in de uitspraak die zij tevens vandaag in die zaken doet een immateriëleschadevergoeding toegekend die ook geldt voor deze zaak. De rechtbank verwijst ter nadere onderbouwing van de omvang van de toegekende immateriëleschadevergoeding naar de overwegingen over dat onderwerp in de uitspraak ten aanzien van de zaaknummers 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021, de bijbehorende belastingrentebeschikkingen en de boetebeschikking in stand blijven.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Ook is daartoe geen aanleiding in verband met de toekenning van de vergoeding van immateriële schade op grond van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. drs. S.J. Willems-Ruesink en mr. A.H.W. Steijn, rechters, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_7863e019-2b7b-4cea-826e-3405f36309fa" label="1">
    <para> Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2aca3062-dfae-4b71-ae48-19244561fd9a" label="2">
    <para> Vgl. Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_44f1d07c-1937-464f-bff9-c0742b86d841" label="3">
    <para> Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_66a36330-f510-4727-8f83-912de99c5f27" label="4">
    <para> Paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_589e48bd-f380-4650-bc51-9b5ea6ea4122" label="5">
    <para> Vergelijk Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cb05c071-04f6-44df-a5b7-0cd731404905" label="6">
    <para> Zie Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>