<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:202</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T11:05:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 25/5237</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:202">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:202</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T11:04:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:202 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-01-2026 / BRE 25/5237</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:202:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>NTB kennelijk niet-ontvankelijk; eerste IGS prematuur en andere twee niet rechtsgeldig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:202:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 25/5237 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. W.H. Lindhout),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal .</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 februari 2025 tegen de weigering van haar aanvraag om een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee bedrijfsverzamelgebouwen op de locatie [straat] naast [huisnummer] , [plaats 2] van 6 februari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_1afce6cf-5769-410d-b7a0-ff7e8db7e740" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het college op 20 oktober 2025 en 17 november 2025 verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. Tot op heden heeft het college hieraan geen gehoor gegeven. Dit betekent dat de rechtbank op basis van de bij haar bekende stukken, ingediend door eiseres, uitspraak zal doen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk?</emphasis>
        </para>
        <para>3. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 28 februari 2025. Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken.<footnote-ref linkend="_c77bef56-207a-4f26-b807-897f17461918" /> Het college heeft de beslistermijn verlengd met zes weken.<footnote-ref linkend="_20e51eed-2783-445b-8780-fd06d49f837f" /> De rechtbank is het met eiseres eens dat de ontvangstbevestiging (van het bezwaarschrift) van 10 maart 2025 waarin de beslistermijn wordt verlengd, niet op de juiste manier ondertekend is.<footnote-ref linkend="_97de5226-f9a8-4b8b-867c-6bf6fbd2cbb3" /> De rechtbank stelt echter ook vast dat uit de mandatenlijst, die bij het Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit 2022 is gevoegd, blijkt dat de bevoegdheid om te beslissen tot verdaging van de termijn tot beslissing op het bezwaarschrift doorgemandateerd kan worden aan de medewerker bezwaar en beroep, die in dit geval de ontvangstbevestiging van 10 maart 2025 heeft ondertekend.<footnote-ref linkend="_c72b0055-c9bf-4f0b-82d7-6b0e15c22be9" /> Er is dus geen sprake van een bevoegdheidsgebrek, maar van een ondertekeningsgebrek. Dit ondertekeningsgebrek is een formeel gebrek waardoor geen belangen van derden zijn geschaad. Eiseres had namelijk alsnog een geldige ingebrekestelling in kunnen dienen. Dit gebrek kan daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. In dit geval eindigde de beslistermijn dan ook op 24 juli 2025. Eiseres heeft het college op 14 juli 2025 in gebreke gesteld en het college heeft de ingebrekestelling op 17 juli 2025. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiseres stelt dat, voor zover de ingebrekestelling van 14 juli 2025 te vroeg zou zijn, de e-mailberichten van 4 september 2025 om 15.50 uur en 11 september 2025 om 17.04 uur (de rechtbank leest in plaats hiervan: de e-mail van 8 september 2025 om 10.41 uur aangezien de e-mail van 11 september 2025 om 17.04 afkomstig is van het college) hebben te gelden als rechtsgeldige ingebrekestellingen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Uit de Awb en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, de hoger beroepsinstantie in geschillen als het onderhavige) volgt dat van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb sprake is als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet op tijd op de aanvraag heeft beslist en dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen.<footnote-ref linkend="_56418816-6385-4df1-83db-782a3b377303" /> In haar e-mail van 4 september 2025 om 15.50 uur geeft eiseres aan dat zij graag verneemt wanneer binnenkort de beslissing op bezwaar wordt genomen. Hieruit blijkt naar oordeel van de rechtbank niet dat zij erop aandringt dat de beslissing alsnog wordt genomen. Zij vraagt in deze e-mail slechts wanneer het besluit wordt genomen. Ditzelfde geldt voor de e-mail van 8 september 2025 om 10.41. Hierin vraagt eiseres wederom wanneer het besluit wordt genomen. Uit de verdere mededeling dat eiseres zich anders genoodzaakt ziet een beroep tegen het niet op tijd beslissen door het college in te stellen, blijkt ook niet eiseres erop aandringt dat alsnog een besluit wordt genomen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet op tijd beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 22 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_1afce6cf-5769-410d-b7a0-ff7e8db7e740" label="1">
    <para> Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c77bef56-207a-4f26-b807-897f17461918" label="2">
    <para> Dit staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_20e51eed-2783-445b-8780-fd06d49f837f" label="3">
    <para> Zoals beschreven in artikel 7:10, derde lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_97de5226-f9a8-4b8b-867c-6bf6fbd2cbb3" label="4">
    <para> Zoals beschreven in artikel 10:11 van de Awb en artikel 5, eerste lid, van het Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit 2022 van de gemeente Roosendaal . </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c72b0055-c9bf-4f0b-82d7-6b0e15c22be9" label="5">
    <para> Te vinden onder 11a Groep JZ &amp; I. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_56418816-6385-4df1-83db-782a3b377303" label="6">
    <para> Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682 en 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:291).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>