<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:1223</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T13:52:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/6750</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1223">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1223</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T13:52:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:1223 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-02-2026 / 25/6750</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:1223:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opleggen EMA, weigeren bloedonderzoek. Mondelinge uitspraak, verzoek afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:1223:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 25/6750</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van </title>
    <bridgehead role="bold">4 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</bridgehead>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij besluit van 23 september 2025 heeft het CBR aan verzoeker de verplichting opgelegd om een cursus over alcohol en verkeer (Educatieve Maatregel alcohol en verkeer, hierna: EMA) te volgen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dat besluit gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het CBR heeft gereageerd met een verweerschrift.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en [naam] namens het CBR. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <para>2. Om een voorlopige voorziening te kunnen treffen moet er sprake zijn van een spoedeisend belang. Hoewel er in deze zaak getwijfeld kan worden of hiervan sprake is, gelet op onder meer het feit dat een betalingsregeling getroffen kan worden, zal de voorzieningenrechter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, toch een spoedeisend belang bij deze procedure aannemen. </para>
    <para />
    <para>3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Hierbij speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Verder zal een belangenafweging gemaakt moeten worden. </para>
    <para />
    <para>4. Het CBR heeft terecht aangegeven dat er binnen het bestuursrecht andere bewijsregels gelden dan binnen het strafrecht. Binnen het bestuursrecht hoeft het niet te gaan om wettig en overtuigend bewijs, maar dient het vermoeden dat verzoeker niet langer geschikt is om te rijden voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. In deze zaak betekent dit dat het CBR voldoende aannemelijk moet maken dat verzoeker heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Het feit dat verzoeker van de officier van justitie zijn rijbewijs terug heeft gekregen speelt geen doorslaggevende rol. Bovendien is niet komen vast te staan  dat verzoeker niet strafrechtelijk zal worden vervolgd. </para>
    <para />
    <para>5. Uit het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van rijden onder invloed volgt dat de politie ter plaatse is gekomen bij het verkeersongeval, dat verzoeker moest blazen en dat de voorlopige blaastest als resultaat ‘A/G’ aangaf.  In dat geval is sprake van een redelijk vermoeden van rijden onder invloed van alcohol. Er is dan voldoende reden voor een uitgebreider onderzoek naar het alcoholgebruik. Verzoeker is na het ongeval overgebracht naar het ziekenhuis en kon dus niet meewerken aan de ademanalyse. Daar is hij gevraagd mee te werken aan een bloedproef, hetgeen hij weigerde. Hierna is hij bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. In het proces-verbaal van rijden onder invloed staat vermeld dat verzoeker heeft geweigerd hieraan mee te werken. Volgens verzoeker is van een bewuste weigering echter geen sprake geweest. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgangspunt is dat van de inhoud van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal mag worden uitgegaan, tenzij sprake is van tegenbewijs. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het CBR heeft de politie gevraagd om uitgebreider op te schrijven hoe de contacten met verzoeker omtrent de afname van de bloedproef in het ziekenhuis zijn verlopen. De politieagent heeft gereageerd en aangegeven is dat de arts toestemming had gegeven de kamer te betreden. Verzoeker was aanspreekbaar en had duidelijk aangegeven niet mee te werken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft geen tegenbewijs geleverd, van bijvoorbeeld een arts die zou aan kunnen geven dat verzoeker versuft was of van aanwezige familieleden. Het CBR mocht naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter uitgaan van hetgeen in het proces-verbaal van de politie staat vermeld. Het is daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. </para>
      <para>Verzoekers stelling dat de artsen al buisjes bloed voor medisch onderzoek hadden  afgenomen en de politie deze buisjes bloed had kunnen gebruiken voor een bloedonderzoek treft geen doel. Er zijn regels voor afname van bloed voor een bloedproef. De politie mag niet zomaar al aanwezige buisjes bloed hiervoor gebruiken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu verzoeker heeft geweigerd mee te werken aan een bloedproef, heeft het CBR van de politie een mededeling rijvaardigheid en geschiktheid ontvangen. De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) schrijft in dat geval dwingendrechtelijk voor dat er een EMA opgelegd wordt. Er is geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Wel kan in een zeer uitzonderlijk geval door de rechter worden geoordeeld dat de Regeling buiten toepassing moet blijven omdat de gevolgen onevenredig uitwerken. Hiervan is geen sprake. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit rechtmatig is. Het verzoek wordt afgewezen. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt.  Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.  </para>
    <para />
    <para>7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026 door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>