<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:1097</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T12:01:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/443851 / JE RK 26-41</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1097">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1097</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T16:38:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:1097 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-01-2026 / C/02/443851 / JE RK 26-41</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:1097:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>OTS</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:1097:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Familie- en Jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/02/443851 / JE RK 26-41</para>
      <para>Datum uitspraak: 23 januari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING &amp; RECLASSERING</emphasis>, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), </para>
      <para>gevestigd te Eindhoven.		</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>over</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010, hierna: [minderjarige 1] ;  <?linebreak?>- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011, hierna: [minderjarige 2] ;</para>
    <para>- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2013, hierna: [minderjarige 3] ; </para>
    <para>- [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2013, hierna: [minderjarige 4] . </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>, hierna te noemen de moeder,</para>
      <para>wonende in [woonplaats 1] ,</para>
      <para>advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>, hierna te noemen de vader,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, </para>
      <para>hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift van 9 januari 2026 met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het bericht van mr. Nieland van 19 januari 2026 met bijlagen.   </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het verzoek is door de kinderrechter van deze rechtbank gelijktijdig met het verzoek dat nog voorligt in de bodemprocedure, bekend onder zaaknummer C/02410132 / FA RK 23-2534, mondeling behandeld op 23 januari 2026. Op laatstgenoemd verzoek zal per separate beschikking worden beslist. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:</para>
      <para>- de vader; </para>
      <para>- de moeder met haar advocaat;</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>twee vertegenwoordigsters van de GI;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een vertegenwoordigster van de Raad.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Ook was aanwezig mr. C.R. Berkel uit Veenendaal, advocaat van de vader in de procedure met zaaknummer C/02410132 / FA RK 23-2534. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 4] heeft hier geen gebruik van gemaakt. [minderjarige 3] heeft een kort briefje naar de kinderrechter geschreven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een gesprek gehad met de kinderrechter. Tijdens dit gesprek hebben zij hun mening gegeven. De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling samengevat wat de kinderen hebben verteld. Alle aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bekend onder zaaknummer C/02/41032 / FA RK 23-2534. Bij beschikking van 19 maart 2024 heeft de rechtbank toestemming aan de moeder verleend om met de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verhuizen naar [woonplaats 1] . Ook is de eerder bij beschikking van 10 november 2023 vastgestelde voorlopige zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de vader en de voornoemde minderjarigen voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar op een door de GI nader te bepalen wijze en waarbij de moeder een belangrijk deel van de reiskosten en -tijd voor haar rekening zal nemen op het moment dat de omgang tussen de vader en de kinderen in de omgeving van de vader zal plaatsvinden. Bij beschikking van 13 maart 2025 is het verzoek van de man afgewezen om de vrouw te verbieden op een grotere afstand dan in het door partijen gesloten ouderschapsplan is overeengekomen van de man te gaan wonen en, voor zover de vrouw inmiddels met de kinderen is verhuisd buiten de overeengekomen straal met als middelpunt de woonplaats van de man met een maximale reisduur van één uur, de vrouw te gelasten binnen een in goede justitie te bepalen termijn om terug te verhuizen of om zich te vestigen op een zodanige afstand van de man dat omgang tussen de kinderen en de man kan plaatsvinden op een wijze als is overeengekomen en is voorzien in het ouderschapsplan. Ook is afgewezen het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij beschikking van 22 februari 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming &amp; Reclassering met ingang van 22 februari 2024 tot 22 februari 2025. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 29 januari 2025 met ingang van 22 februari 2025 en tot 22 februari 2026. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De standpunten</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De GI handhaaft het verzoek. In juli is er een wisseling van jeugdbeschemer geweest. Deze nieuwe jeugdbeschermer is hierna uitgevallen, waardoor er de eerste drie maanden geen actieve jeugdbeschemer betrokken is geweest. Eind september zijn de nieuwe jeugdbeschermers betrokken geraakt. Helaas is door alle wisselingen in de afgelopen periode minder bereikt dan beoogd. Wel volgt [minderjarige 2] inmiddels therapie en heeft [minderjarige 4] zijn traject bij [zorgaanbieder 1] goed afgesloten. Het maken van afspraken met de moeder en het inzetten van hulpverlening gaat moeizaam. De moeder stelt zich strijdbaar op en contact is vaak gericht op de onderlinge samenwerking en afspraken. De moeder stelt hoge eisen aan het contact en heeft kritiek op de hulpverlening die de GI van belang acht. De nieuwe jeugdbeschemers hebben de kinderen nog niet gesproken. De moeder zegt dat een gesprek te belastend voor de kinderen zou zijn; de eerdere kindgesprekken op school zouden traumatisch zijn geweest voor hen. Uiteindelijk was er op 5 januari een afspraak gepland, maar de moeder stelde hoge eisen aan de kindgesprekken, waardoor de GI ze niet door heeft laten gaan. De GI heeft een stappenplan opgesteld en heeft nieuwe doelen bepaald. De GI wil hier in de komende periode aan werken. Als eerste moeten de wensen en behoeften van elk kind in kaart worden gebracht, gerespecteerd worden en er moet op een passende manier aan tegemoet worden komen. Met ieder kind afzonderlijk moet dan ook op een neutrale locatie gesproken worden, zonder de ouders. Als een kind geen contact wil met de vader, wordt de mogelijkheid geboden om een kindbehartiger in te zetten. Als een kind wel contact wil, wordt dit gerealiseerd. Momenteel heeft [minderjarige 1] videobelcontact met de vader. Dit verloopt goed. Echter ligt dit nu een aantal weken stil, omdat er kennis moet worden gemaakt met de omgangsbegeleiders, zodat de GI deze gesprekken niet zelf meer hoeft te begeleiden. De moeder heeft hier moeite mee, omdat deze omgangsbegeleiders ZZP-ers zijn. Echter hebben zij de minst lange wachttijd, waardoor hiervoor gekozen is. Hierbij zijn zij ook in de weekenden en avonden beschikbaar. Er is geen contact tussen de vader en [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 2] . Ten tweede moet de constructieve samenwerking tussen ouders worden bevorderd. Hiervoor wil de GI ouderschapsbemiddeling of mediation inzetten. Ten derde is het belangrijk dat de vader de GI op de hoogte houdt van de voortgang van zijn behandeltraject. De vader heeft in oktober een intake gehad bij [zorgaanbieder 2] . Het behandelplan wil hij echter niet delen met de GI. Ten vierde is het belangrijk dat de draagkracht van de moeder wordt vergroot. De GI gaat er vanuit dat de doelen binnen acht maanden kunnen worden bereikt. Daarna is het maximale binnen de ondertoezichtstelling bereikt en dan kan er een overdracht plaatsvinden naar het vrijwilig kader. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Door en namens de moeder is gesteld dat er veel mis is gegaan in de begeleiding van de GI. Ze vindt het lastig dat de kinderen al zoveel gesprekken hebben gehad met de voorgaande jeugdbeschemers en dat deze informatie blijkbaar niet is doorgegeven, waardoor de kinderen opnieuw in gesprek met de nieuwe jeugdbeschermers moeten gaan en opnieuw hun behoeften moeten delen. Dit is onnodig belastend. De moeder heeft daarom bij het laatste gesprek aangegeven dat ze bepaalde eisen heeft. Hierbij blijkt uit het advies van de Raad ook wat de wens van de kinderen is in het contact met de vader. De moeder is het eens met dit advies. De moeder kan, nu ze hoort van de GI waarom er is gekozen voor twee ZZP-ers als omgangsbegeleiders, ermee instemmen dat zij de omgangsmomenten gaan begeleiden. Echter heeft de moeder ook vanuit haar netwerk familieleden aangedragen die bij de omgang kunnen zijn; zij hebben een pedagogische achtergrond. Dit zijn personen die de kinderen volledig vertrouwen en waar ze met regelmaat komen. Een contactmoment kan op deze manier makkelijker tot stand komen en worden gepland. De moeder is het niet eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling gezien het bovenstaande. De moeder stelt dat 85% van de problemen momenteel aan de kant van de vader zitten. Hij heeft nog geen hulpverlening en hij geeft onder meer geen toestemming voor een reis van [minderjarige 1] naar [plaats] . Hij weigert dus zijn verantwoordelijkheid te nemen als gezaghebbende ouder. Daarnaast is de vader verhuisd zonder dat de moeder het weet; zijn adres is bij haar dan ook onbekend. De moeder vraagt zich ook af of de huidge GI wel de goede GI is in deze situatie. De GI lijkt op dit moment namelijk niet goed te functioneren. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is niet nodig, want het gaat met name om de begeleiding van de omgangsmomenten en dat kan ook in het vrijwillig kader worden geregeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Door de vader is gesteld dat hij ondersteunt wat de moeder stelt ten aanzien van het verloop van jeugdbeschermers. Dit is niet bevorderlijk en helpend geweest. Hij hoorde soms maanden niets van de GI en er werd zelfs gesteld dat hij een verstandelijke beperking zou hebben. Dit klopt niet en dit vindt de vader erg kwalijk. De vader heeft zich in oktober aangemeld bij [zorgaanbieder 2] en staat momenteel op de wachtlijst voor hulpverlening. De vader werkt aan zichzelf en is verhuisd naar waar hij oorspronkelijk vandaan komt. Dit heeft hij voor de kinderen gedaan, zodat ze niet in dezelfde situatie terecht komen als de omgang wordt opgestart. Ook woont de vader nu dichterbij zijn ouders. De vader accepteert dat alle kinderen iets anders willen in het contact met hem en wil ze de tijd geven die ze nodig hebben. Ook kan hij ermee instemmen dat de personen die de moeder uit haar familie noemt, betrokken worden bij de omgang. Hiernaast dacht de vader dat hij al toestemming had gegeven voor de reis naar [plaats] van [minderjarige 1] , dus hier stemt hij dan ook mee in. De vader wil dat de ondertoezichtstelling verlengd wordt, omdat de ouders niet met elkaar kunnen communiceren. Mocht er een plan liggen van hoe de ouders de communicatie, maar ook de omgang, kunnen gaan vormgeven, dan kan de ondertoezichtstelling eventueel worden afgesloten.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Door de Raad is gesteld dat hij in de bodemprocedure een raadsadvies heeft opgesteld voor wat betreft de omgang tussen de vader en de kinderen. Wanneer de ondertoezichtstelling wordt afgesloten is het voor de vader moeilijk om het contact dat er nu tussen hem en de kinderen is op gang te brengen en te houden. Hierbij moet er ook sprake zijn van een veilig contact. Om deze reden kan de ondertoezichtstelling momenteel nog van meerwaarde zijn; mede om de belangen van de kinderen hierin in de gaten te houden. Hierbij is het belangrijk dat de regie omtrent de omgang niet bij de kinderen zelf komt te liggen, maar dat de GI deze regie houdt. Daarnaast vindt de Raad het geen goed idee om van GI te wisselen, omdat dit leidt tot weer nieuwe jeugdbeschermers en hiernaast werken de meeste GI’s niet door heel Nederland. Tot slot vindt de Raad het belangrijk dat de GI aan vader ondersteuning biedt in het contact met [zorgaanbieder 2] . De Raad kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling van acht maanden, zodat er in de komende periode aan de doelen gewerkt kan worden, maar er ook een borgingsplan opgesteld kan worden en de Raad kan beoordelen of de ondertoezichtstelling inderdaad afgesloten kan worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Door [minderjarige 2] is tijdens het gesprek met de kinderrechter naar voren gebracht dat het goed met haar gaat thuis en dat ze het naar haar zin heeft op school. Ze heeft therapie bij [zorginstelling] en ook dit verloopt goed en is helpend. Ze wil eerst de ruimte krijgen om aan zichzelf te werken en zich goed te voelen en pas daarna wil ze over contact met haar vader nadenken. De vader heeft haar een appje gestuurd op haar verjaardag, maar verder hebben ze geen contact. [minderjarige 2] is het niet eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling, omdat er al zoveel organisaties en personen bij hen betrokken zijn. Dit vindt ze belastend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>
        [minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter naar voren gebracht dat het goed met hem gaat thuis en op school. Hij merkt wel dat er nu een mondelinge behandeling is, want dan is er wat meer stress thuis. [minderjarige 1] heeft geen hulpverlening nodig, omdat het goed met hem gaat. [minderjarige 1] videobelt eens in de twee weken op woensdag met zijn vader en ook dit gaat goed. Hij wil deze regeling momenteel niet uitbreiden. Het is op dit moment stilgelegd, omdat er twee nieuwe omgangsbegeleiders worden ingezet en [minderjarige 1] moet nog kennismaken. Dit is er nog niet van gekomen. [minderjarige 1] vindt dat de jeugdbeschermers het niet goed doen, omdat ze een eigen toevoeging doen aan een verhaal en er hiermee tegenstrijdigheden ontstaan. Dit vindt hij niet fijn. [minderjarige 1] vindt het wel oke als ze betrokken blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [minderjarige 3] heeft in zijn briefje aan de kinderrechter geschreven dat als hij zijn vader wil zien, hij dit aan zijn moeder zal vertellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:</para>
      <para>a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en</para>
      <para>b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 1:260 van het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er in het afgelopen jaar veel wisselingen zijn geweest in jeugdbeschermers en dat er daardoor niet zoveel is bereikt als was beoogd. Wel loopt de therapie van [minderjarige 2] goed en heeft [minderjarige 4] zijn therapie afgerond. Hiernaast is, door het onderzoek van de Raad in zaaknummer C/02410132 / FA RK 23-2534, gebleken wat de kinderen afzonderlijk van elkaar wensen in het contact met de vader. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat het in dit verband door de Raad gegeven advies door de GI wordt opgevolgd en wordt uitgevoerd. Hiernaast is tijdens de mondelinge behandeling besproken dat inmiddels bijna het hoogst haalbare binnen de ondertoezichtstelling is bereikt. Ook is besproken dat de twee ZZP-ers kunnen worden ingezet in de begeleiding van de contactmomenten tussen de vader en de kinderen, omdat zij snel kunnen starten en eventueel ook in de weekenden en in de avonden beschikbaar zijn. Zowel de moeder als [minderjarige 1] moeten kennismaken met deze twee personen, zodat de videobelcontacten tussen de vader en [minderjarige 1] zo snel als mogelijk doorgang kunnen vinden. De GI dient hiernaast te onderzoeken of de door de moeder aangedragen personen (op termijn) ingezet kunnen worden bij de contactmomenten en of ook de familie van de vader hiervoor geschikt is. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de vader door de GI ondersteund en begeleid wordt bij de in te zetten hulpverlening van [zorgaanbieder 2] . Dat de vader momenteel op een wachtlijst staat, doet daar niet aan af. Gezien het bovenstaande acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Dit zal zij doen voor de duur van acht maanden, omdat er in acht maanden toegewerkt moet kunnen worden naar een afsluiting van de ondertoezichtstelling. Binnen deze acht maanden moet dan ook een borgingsplan opgesteld zijn en moet er een toetsing door de Raad plaatsvinden. Het restant van het verzoek zal worden afgewezen. De kinderrechter acht het hierbij niet in het belang van de kinderen om van GI te wijzigen, omdat hiermee tijd en informatie verloren gaat, er opnieuw nieuwe jeugdbeschemers aan het gezin worden toegevoegd en omdat deze GI landelijk werkt (in verband met het verblijf van de vader in [woonplaats 2] ). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para>De kinderrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] met ingang van 22 februari 2026 en tot 22 oktober 2026; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>wijst het resterende deel van het verzoek af.</para>
      <para />
      <para />
      <para>Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door mr.  Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:</para>
      </parablock>
      <para>- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;</para>
      <para>- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.</para>
      <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.</para>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>