<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2026:1081</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-05T12:23:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/344</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1081">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1081</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-05T12:23:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2026:1081 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-02-2026 / 25/344</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2026:1081:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet-ontvankelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2026:1081:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 25/344 </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">de erven van [naam]</emphasis>, in leven laatstelijk gewoond hebbende in [plaats] , eiseres</para>
      <para>(gemachtigde/erfgenaam: [gemachtigde] , echtgenoot van eiseres),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister</title>
    <para>(gemachtigde: mr. I. Pieterse).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister van 18 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.<footnote-ref linkend="_12a71e99-0cf7-41af-9d16-68e01e4f51ce" /> Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.<footnote-ref linkend="_24635f23-a704-47e1-b743-6e9f50ab463a" /> Dat is de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.<footnote-ref linkend="_53f27196-ba9a-4e73-963f-616cd6b7eb51" /> Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post<footnote-ref linkend="_93ca467d-7b93-4b11-a2a2-9874f2b9c0b0" /> wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.<footnote-ref linkend="_50aff217-281c-4b94-995b-aacdd8afbacc" /> Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.<footnote-ref linkend="_675facb2-b5e6-4309-822e-9d5addc37ee8" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is het beroep te laat ingediend?</emphasis>
        </para>
        <para>4. Vast staat dat de minister het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 18 september 2024 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 30 oktober 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De minister heeft op 20 december 2024 een reactie van eiseres ontvangen op het bestreden besluit. De minister heeft de brief aangemerkt als een beroepschrift en op 8 januari 2025 doorgezonden naar de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is het beroepschrift te behandelen. De rechtbank heeft het beroepschrift op 9 januari 2025 ontvangen. Uitgaande van de eerste datum, de dag waarop de minister het beroepschrift heeft ontvangen, is het beroepschrift niet tijdig ingediend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is het te laat indienen verontschuldigbaar?</emphasis>
        </para>
        <para>5. Het beroepschrift is gelet op bovenstaande op 20 december 2024 ingediend. De griffier heeft eiseres op 5 februari 2025 de kans gegeven zich uit te laten over de reden voor de termijnoverschrijding en het beroepschrift te ondertekenen. Op 26 maart 2025 is eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken een schriftelijke reactie over de termijnoverschrijding toe te sturen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Op 7 april 2025 hebben de erven van eiseres de rechtbank op de hoogte gesteld van het overlijden van eiseres op 30 januari 2025. De rechtbank heeft dit bericht op 8 april 2025 ontvangen. De echtgenoot van eiseres is haar als partij in het onderhavige beroep opgevolgd en wenst het beroep voort te zetten. Hij wordt hierna aangeduid als echtgenoot van eiseres. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>In het betreffende bericht van 7 april 2025 heeft de echtgenoot van eiseres niet gereageerd op het door de rechtbank bij brief van 5 februari 2025 gedane verzoek. In die brief is door de rechtbank gevraagd naar de reden van de overschrijding van de beroepstermijn. De griffier heeft de echtgenoot van eiseres vervolgens op 24 april 2025 in de gelegenheid gesteld om de reden van de termijnoverschrijding toe te lichten, met een termijn van twee weken. Op 28 mei 2025 is opnieuw een termijn van vier weken geboden en op 21 oktober 2025 een laatste termijn van twee weken. In de laatste brief is aangegeven dat, als er niet gereageerd wordt, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>De echtgenoot van eiseres heeft desgevraagd (bij bericht van 1 mei 2025) zijn e-mailadres en BSN-nummer bij de rechtbank aangeleverd ten behoeve van het digitale dossier. Hij heeft ook hierbij niet gereageerd op het herhaaldelijke verzoek om schriftelijk toe te lichten waarom het beroep na afloop van de beroepstermijn is ingediend. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres heeft buiten de beroepstermijn, namelijk op 20 december 2024, een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift is abusievelijk bij verweerder ingediend, maar door verweerder doorgezonden naar de rechtbank. Eiseres is vervolgens overleden. De echtgenoot heeft aangegeven het beroep voort te willen zetten. </para>
        <para>De rechtbank stelt voorop begrip te hebben voor de situatie van de echtgenoot van eiseres. De echtgenoot heeft aangegeven het beroep te willen overnemen. Het beroep was echter buiten de beroepstermijn ingediend. Die termijnoverschrijding kan verschoonbaar worden geacht als er een geldige reden voor de overschrijding wordt gegeven. De echtgenoot heeft drie keer de gelegenheid gekregen om de vraag naar die reden te beantwoorden. Er is geen reactie gekomen. Nu er geen antwoord op de vraag is gekomen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond om de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar te achten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_12a71e99-0cf7-41af-9d16-68e01e4f51ce" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24635f23-a704-47e1-b743-6e9f50ab463a" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53f27196-ba9a-4e73-963f-616cd6b7eb51" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_93ca467d-7b93-4b11-a2a2-9874f2b9c0b0" label="4">
    <para> Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_50aff217-281c-4b94-995b-aacdd8afbacc" label="5">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_675facb2-b5e6-4309-822e-9d5addc37ee8" label="6">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>