<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:9747</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-23T14:39:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RK 25-023586</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9747">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9747</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-23T14:39:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:9747 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-12-2025 / RK 25-023586</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:9747:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EOB zaak. Ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:9747:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Strafrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Lurisnummers	: [lurisnummer 1] en [lurisnummer 2]</para>
      <para>raadkamernummer	: 25-023586</para>
      <para>datum	: 2 december 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [klager] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [datum] 1978 te [plaats] ,</para>
      <para>woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal (Molenstraat 10, 4701 JS Roosendaal),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen: klager.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het Europees onderzoeksbevel ( [lurisnummer 1] ) van 13 mei 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het Europees onderzoeksbevel ( [lurisnummer 2] van 27 augustus 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het bevriezingsbevel [lurisnummer 1] van 27 augustus 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de lijst van inbeslaggenomen goederen, waaruit blijkt dat op 4 september 2025 de </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>     volgende goederen onder klager in beslag zijn genomen: </para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Bartec telefoon;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>IPhone;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>geldbedrag van 6.600,00 euro;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Lenovo laptop met oplaadkabel;     </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Lenovo laptop en usb stick;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Lenovo laptop Thinkpad T490;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 18 september 2025 ter griffie van deze rechtbank;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 november 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax, klager en mr. H. van Asselt als advocaat van klager, gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager. De bij de doorzoeking in het kader van de Aanhouding Overleveringswet inbeslaggenomen Bartec telefoon en Lenovo laptop met oplaadkabel behoren toe aan de werkgever van klager. Op deze gegevensdragers zijn bedrijfsgegevens opgeslagen. De inbeslaggenomen IPhone en Lenovo laptop Thinkpad T490 behoren toe aan klager. Klager heeft een zeer groot belang bij teruggave van de laptop nu daar zijn gehele boekhouding op staat en hij bij voortduring van het beslag niet aan zijn fiscale verplichtingen kan voldoen. Klager kan zich voorstellen dat het Openbaar Ministerie een back-up van de gegevensdragers maakt en aan klager verstrekt, zodat op geen enkele wijze het opsporingsbelang in België kan worden geschaad. Klager kan geen legitieme reden bedenken waarom hij geen back-up van zijn boekhouding zou kunnen krijgen. Op de telefoon van klager staan veel zakelijke telefoonnummers en privéfoto’s en klager wenst om die reden ook teruggave van deze telefoon aan hem. Het inbeslaggenomen geldbedrag van 6.600,00 euro in contanten behoort toe aan klager, maar klager heeft zich erbij neergelegd dat de Belgische rechter daar een beslissing over gaat nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. De goederen zijn in beslag genomen ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB), uitgevaardigd door de Belgische autoriteiten. Er was aldus een rechtsgrond om de goederen in beslag te nemen en er zijn geen weigeringsgronden van toepassing. De Belgische autoriteiten hebben expliciet gevraagd om overlevering van alle inbeslaggenomen goederen en hebben zich verzet tegen het slechts kopiëren en vervolgens teruggeven van de gegevensdragers.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd ter uitvoering van een EOB als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Gelet op artikel 5.4.7 eerste lid Sv toetst zij evenmin de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van de inbeslaggenomen goederen.<footnote-ref linkend="_8a11f303-c6cb-404a-b369-cf62a56b7290" /> Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het staat wel ter beoordeling of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Zo moet op grond van artikel 5.4.4 tweede lid Sv in beginsel worden voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.<footnote-ref linkend="_6a0bdc36-3c92-41f4-8869-5efa118c41f4" /> Daarnaast kan de rechtbank in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechtbank moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, moeten verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag buiten beschouwing worden gelaten.<footnote-ref linkend="_00df14f2-bb73-49a3-93a4-e2448429d58f" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat verder in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling staat of de inbeslaggenomen voorwerpen ook voorwerpen zijn waarop het EOB betrekking heeft.<footnote-ref linkend="_bb7a4b23-2c3c-48d6-9bca-11aa43b4befa" /> Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar klager en een aantal andere verdachten in verband met - kort gezegd - deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van de invoer van verdovende middelen. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De rechter-commissaris heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid tot het leggen van beslag ex artikel 104 Sv. De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.4.4 Sv voor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt - anders dan de raadsman betoogt - dat het Nederlandse Openbaar Ministerie als uitvoerende autoriteit in het onderhavige geval niet kan volstaan met de overdracht van kopieën van de bestanden op de in beslag genomen gegevensdragers. De gegevensdragers zelf dienen te worden overgedragen ter uitvoering van het EOB. Nu de Belgische autoriteiten niet hebben medegedeeld af te zien van het beslag, is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering. Gelet op vorenstaande moet het beklag ongegrond worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het klaagschrift ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid om de beslissing mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>INFORMATIE RECHTSMIDDEL</para>
      <para>Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing <emphasis role="bold">beroep in cassatie </emphasis>worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8a11f303-c6cb-404a-b369-cf62a56b7290" label="1">
    <para> ECLI:NL:HR:2020:1108 en ECLI:NL:HR:2022:511.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a0bdc36-3c92-41f4-8869-5efa118c41f4" label="2">
    <para> ECLI:NL:HR:2020:1108.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_00df14f2-bb73-49a3-93a4-e2448429d58f" label="3">
    <para> ECLI:NL:HR:2021:1940.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb7a4b23-2c3c-48d6-9bca-11aa43b4befa" label="4">
    <para> ECLI:NL:HR:2021:679 en ECLI:NL:HR:2021:744.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>