<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:8557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-06T09:54:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9301361 CV EXPL 21-2605 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Tilburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:8557">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:8557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-02T16:42:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:8557 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-12-2025 / 9301361 CV EXPL 21-2605 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:8557:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser was werkzaam in Belgie. Eiser heeft medische kosten moeten maken in verband met het krijgen van een beroepsziekte. Gedeeltelijke (terug)betaling eigen risico zorgverzekering door de Nederlandse zorgverzekeraar (gedaagde) aan de verzekerde (eiser) op grond van (een tussen- en eind) arrest van het Arbeidshof Belgie. De Nederlandse zorgverzekeraar moet terugvorderen bij het Federaal agentschap voor beroepsrisico's.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:8557:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel Cluster I Civiele kantonzaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tilburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer 9301361 CV EXPL 21-2605</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van 3 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heer [eiser]</emphasis>, </para>
      <para>wonende in [plaats], </para>
      <para>eiser, (hierna [eiser] te noemen), </para>
      <para>gemachtigde: mr. M.J.A. Gaber, advocaat in Heerlen, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de onderlinge waarborgmaatschappij CZ Groep Zorgverzekeraar U.A.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende in Tilburg, </para>
      <para>gedaagde, (hierna CZ te noemen), </para>
      <para>gemachtigde: mr. J.A. Buur, werkzaam bij CZ. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De verdere procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- het tussenvonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde stukken;</para>
    <para>- de akte van [eiser] van 23 juli 2025 met 1 productie;</para>
    <para>- de antwoordakte van CZ van 15 oktober 2025. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierna is vonnis bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis van 26 maart 2025 bepaald dat de zaak voor onbepaalde tijd wordt aangehouden totdat het Arbeidshof in de hoger beroep zaak tussen [eiser] en Fedris een eindarrest heeft gewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft bij akte van 23 juli 2025 het op 16 juni 2025 tussen [eiser] en Fedris gewezen eindarrest van het Arbeidshof overgelegd. [eiser] stelt in zijn akte dat uit rechtsoverwegingen 3. en 4. van het tussenarrest van 18 november 2024 en rechts-overweging 3.1 van het eindarrest volgt dat CZ bij Fedris een aanvraag moet indienen voor het krijgen van een terugbetaling van het eigen aandeel dat [eiser] dient te betalen ingevolge zijn beroepsziekte. [eiser] stelt ook dat de weigering van CZ om deze kosten bij Fedris in te dienen indruist tegen zijn rechten, nu uit de hiervoor genoemde arresten van het Arbeidshof volgt dat [eiser] niet zelf een aanvraag tot terugbetaling kan indienen. [eiser] acht zijn vordering dan ook toewijsbaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>CZ stelt in haar antwoordakte van 15 oktober 2025 dat er op grond van de Belgische uitspraken pas een concrete betalingsverplichting jegens [eiser] ontstaat op het moment dat Fedris heeft vastgesteld voor welk concreet bedrag zij tussenkomst kan verlenen. <?linebreak?>CZ doet in haar antwoordakte de toezegging dat zij een verzoek bij Fedris zal indienen, na ontvangst van de in het eindarrest van het Arbeidshof genoemde overzichtsstaten die het Arbeidshof gebruikt heeft voor de hypothetische afrekening. CZ stelt dat de vordering van [eiser] in deze procedure niet toewijsbaar is, omdat [eiser] op grond van de arresten van het Arbeidshof pas recht heeft op betaling door CZ nadat én op voorwaarde dat Fedris een verzoek tot terugvordering van CZ heeft ontvangen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Verklaring voor recht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert allereerst voor recht te verklaren dat de Nederlandse ziektekostenverzekeraar waar [eiser] een aanvullende zorgverzekering heeft, dan wel waar hij een basiszorgverzekering heeft, althans CZ, gehouden is de zorgkosten aan [eiser] te vergoeden zoals uiteen is gezet onder punt 3.1 tot en met 3.3 van de dagvaarding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De kantonrechter acht deze vordering niet toewijsbaar. Zij is veel te ruim geformuleerd, zoals CZ terecht heeft gesteld. Alleen al daarom zal zij worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Betaling € 1.716,60</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] vordert tevens CZ te veroordelen tot betaling van een bedrag van </para>
        <para>€ 1.716,60, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling op 14 juli 2022 aan partijen voorgehouden dat het bedrag van </para>
        <para>€ 1.716,60 ziet op € 1.348,99 aan eigen risico en € 367,61 aan niet vergoede medische kosten. CZ heeft ter zitting toegezegd dat zij het bedrag van € 367,61 aan [eiser] zal betalen. Nu onduidelijk is gebleven of dit bedrag ook daadwerkelijk aan [eiser] is betaald en [eiser] ook niet bij akte zijn eis heeft verminderd, wijst de kantonrechter dit bedrag toe. Als CZ dit bedrag wel aan [eiser] heeft betaald, moet dat uiteraard op de toe te wijzen hoofdsom in mindering komen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis van 9 augustus 2023 geoordeeld dat de vordering van [eiser] tot betaling van het eigen risico alleen toewijsbaar is indien komt vast te staan dat Fedris op grond van een uitspraak van de Belgische rechter gehouden is ook de eigen bijdrage van [eiser] onder de Nederlandse wetgeving voor haar rekening te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Het Arbeidshof heeft in het tussenarrest van 18 november 2024 geoordeeld dat [eiser] recht heeft op de terugbetaling van de gezondheidszorgen die nodig zijn om de beroepsziekte te behandelen ten belope van het eigen aandeel, en overeenkomstig het remgeldplafond zoals bepaald in de ZIV-wetgeving<footnote-ref linkend="_c0aab932-a8ea-4a0e-9066-fb2723b04035" />. Het Arbeidshof heeft [eiser] en Fedris vervolgens in de gelegenheid gesteld om een afrekening te maken van het eigen aandeel (remgeld) waarvoor Fedris tussenkomst kan verlenen in geval van terugvordering van de Nederlandse zorgverzekeraar, rekening houdend met de overwegingen in het arrest. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Het Arbeidshof heeft vervolgens op 16 juni 2025 eindarrest gewezen. <?linebreak?>Het Arbeidshof heeft geoordeeld dat zij enkel bij machte is om de hypothetische afrekening van Fedris voor een bedrag van € 400,84 vast te stellen, voor het geval dat CZ een terugvordering bij Fedris instelt. Het Arbeidshof heeft in het eindarrest ook nogmaals overwogen dat Fedris geen rechtstreekse betaling aan [eiser] kan verrichten en dat de Nederlandse zorgverzekeraar het door haar betaalde bedrag moet terugvorderen bij Fedris op de wijze zoals bepaald in de administratieve beslissing van 21 juni 2018.<footnote-ref linkend="_f5c0afd0-b738-4b52-9314-7f5e81322370" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De kantonrechter wijst op grond van het hiervoor genoemde eindarrest van het Arbeidshof ter zake (terug)betaling van het eigen risico een bedrag van € 400,84 aan [eiser] toe. Voor zover CZ stelt dat zij eerst over de in het arrest van 16 juni 2025 genoemde overzichtsstaten wenst te beschikken, waarna zij een verzoek bij Fedris zal indienen, overweegt de kantonrechter dat het Arbeidshof al heeft vastgesteld dat Fedris <?linebreak?>-in ieder geval- voor een bedrag van € 400,84 tussenkomst kan verlenen. De aanspraak op dit bedrag door [eiser] vloeit voort uit het eindarrest van het Arbeidshof. [eiser] dient in die zin niet afhankelijk te zijn van de vraag of, en zo ja wanneer, CZ op grond van aan haar verstrekte overzichtsstaten een verzoek bij Fedris zal indienen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Het bovenstaande betekent dat een totaalbedrag van € 768,45 (€ 367,61 aan niet vergoede medische kosten en € 400,84 aan eigen risico) toewijsbaar is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Proceskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>In de uitkomst van dit geschil ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt CZ om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 768,45;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst af wat meer of anders is gevorderd.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>3 december 2025. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_c0aab932-a8ea-4a0e-9066-fb2723b04035" label="1">
    <para> Arbeidshof Antwerpen, Afdeling Hasselt, kamer 7, 18 november 2024, rolnummer: 2021/AH/78, rechtsoverweging 3.3, pagina 7</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5c0afd0-b738-4b52-9314-7f5e81322370" label="2">
    <para> Arbeidshof Antwerpen, Afdeling Hasselt, kamer 7, 16 juni 2025, rolnummer: 2021/AH/78, rechtsoverweging 3.1, pagina 4</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>