<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:8331</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-02T08:13:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 25/4353</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:8331">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:8331</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-28T14:06:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:8331 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-11-2025 / BRE 25/4353</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:8331:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>NTB KINDER - herhaald (derde) beroep - kennelijk niet-ontvankelijk; in beroep alsnog beslist; eerst bezwaarprocedure</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:8331:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 25/4353 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [plaats] , eiser,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2025.<footnote-ref linkend="_81c6e68f-ee8c-4cd2-b0fd-0fbe9c8fc5cf" /> In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op de aanvraag van eiser. Eiser stelt op 27 augustus 2025 beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_8e6c6be7-695e-4208-8f19-c6d247c4d001" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat omdat de rechtbank in haar uitspraken van 13 mei 2024<footnote-ref linkend="_35db30fd-6233-4534-9b0e-9f135e8f0984" /> en 6 februari 2025 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing moest nemen.<footnote-ref linkend="_59fd33c0-5b7c-4642-b375-eb23449bc295" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk?</emphasis>
        </para>
        <para>3. De rechtbank stelt vast dat verweerder na het instellen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen op 6 oktober 2025. Hierdoor is het procesbelang aan het beroep gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit komen te vervallen. Het beroep tegen het niet op tijd beslissen op de aanvraag van eiser is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op grond van de wet ziet het beroep ook op het alsnog genomen besluit.<footnote-ref linkend="_d2d3630c-3fd8-4bd2-b284-10e23df2dfb1" /> Uit de brief van 31 oktober 2025 blijkt dat eiser het niet eens is met dat besluit en dat hij bezwaar tegen dit besluit heeft ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Omdat de bezwaarfase nog niet is doorlopen, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar verweerder voor een inhoudelijke behandeling van het door eiser ingediende bezwaar.<footnote-ref linkend="_34d9a9b7-185f-464f-9623-9b706af981d3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Eiser heeft gevraagd om het besluit van 6 oktober 2025 als tussenfase te zien en de druk op het op tijd nemen van een besluit op het reeds ingediende bezwaar te laten bestaan door de dwangsom door te laten lopen tot er een beslissing op bezwaar is genomen of tot de wettelijke maximale dwangsom is bereikt. De rechtbank merkt op dat dit niet mogelijk is aangezien dit beroep ziet op het niet op tijd beslissen op de aanvraag en op de aanvraag inmiddels is beslist. Als verweerder niet op tijd beslist op het door eiser ingestelde bezwaar, kan eiser (opnieuw) een ingebrekestelling sturen aan verweerder. Mocht verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een beslissing op het bezwaar nemen, dan kan eiser (opnieuw) een beroep indienen bij de rechtbank. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden? </emphasis>
        </para>
        <para>4. Omdat het besluit op de aanvraag van eiser op 6 oktober 2025 is genomen na het instellen van het beroep op 27 augustus 2025 moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verwijst de zaak naar verweerder voor inhoudelijke behandeling van het reeds ingediende bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_81c6e68f-ee8c-4cd2-b0fd-0fbe9c8fc5cf" label="1">
    <para> BRE 24/8396, ECLI:NL:RBZWB:2025:619.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e6c6be7-695e-4208-8f19-c6d247c4d001" label="2">
    <para> Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35db30fd-6233-4534-9b0e-9f135e8f0984" label="3">
    <para> BRE 24/2830, ECLI:NL:RBZWB:2024:3171. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_59fd33c0-5b7c-4642-b375-eb23449bc295" label="4">
    <para> Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d2d3630c-3fd8-4bd2-b284-10e23df2dfb1" label="5">
    <para> Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_34d9a9b7-185f-464f-9623-9b706af981d3" label="6">
    <para> Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>