<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:8123</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-06T09:01:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11533158 CV EXPL 25-524 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Bergen op Zoom</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:8123">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:8123</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-02T10:30:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:8123 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-10-2025 / 11533158 CV EXPL 25-524 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:8123:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Consumentenkoop met achteraf betalen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar verdienmodel nader toe te lichten, waarbij de kantonrechter heeft verwezen naar het arrest van het Hof van Justititie van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:895). Eiseres heeft haar verdienmodel nader toegelicht en de kantonrechter komt tot het oordeel dat het krediet onder de uitzonderingscategorie van artikel 7:58 lid 2 onder e BW valt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:8123:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Cluster I Civiele kantonzaken</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bergen op Zoom</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak/rolnr.: 11533158 CV EXPL 25-524</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis d.d. 29 oktober 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap Capaccs Invest II B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te Eindhoven,</para>
      <para>eisende partij,  </para>
      <para>gemachtigde: ACCS Incasso te Eindhoven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [adres],</para>
      <para>gedaagde partij, </para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procesgang blijkt uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>het tussenvonnis in deze zaak van 16 juli 2025 met de daarin genoemde processtukken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de akte van eisende partij van 13 augustus 2025 met producties.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is overwogen dat er een rechtsverhouding bestaat tussen de verkoper en gedaagde partij, de koopovereenkomst, en tussen eisende partij en gedaagde partij, de kredietovereenkomst. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De koopovereenkomst:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat door de verkoper volledig is voldaan aan de geldende (pre)contractuele informatieplichten, zodat de gevorderde koopsom toewijsbaar is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De kredietovereenkomst:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Vervolgens heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat op de kredietovereenkomst in beginsel titel 7.2A van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is, behalve als de kredietovereenkomst onder één van de uitzonderingen valt van artikel 7:58 lid 2 BW, in het bijzonder de uitzondering onder e. Eisende partij is in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten, waarbij zij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:895) diende te betrekken. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In haar akte heeft eisende partij gesteld dat het in deze zaak gesloten krediet inderdaad onder deze uitzondering valt. Zij heeft toegelicht dat haar verdienmodel is gebaseerd op de vergoeding die zij ontvangt van de verkopers die de mogelijkheid om uitgesteld te betalen aanbieden aan consumenten en niet op de verwachting dat consumenten hun verplichtingen niet nakomen. De consumenten, die gebruik maken van de dienst van eisende partij, krijgen bovendien ruimschoots de gelegenheid om hun betalingsverplichting zonder rente of kosten na te komen: eisende partij stuurt herinneringen, ook per e-mail en sms. Als dat niet leidt tot betaling, brengt zij stapsgewijs incassokosten in rekening en uiteindelijk, na inschakeling van een incassobureau, ook rente. Volgens eisende partij zijn die werkzaamheden niet kostendekkend. Deze stelling heeft zij onderbouwd met (accountants)stukken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat eisende partij in haar akte en alle daarbij gevoegde producties voldoende heeft onderbouwd dat de bedongen rente en incassokosten geen deel uitmaken van haar verdienmodel. Als gevolg daarvan geldt de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW en moet dus worden geoordeeld dat het in deze procedure gesloten krediet géén consumentenkredietovereenkomst is als bedoeld in titel 2A van boek 7 BW. Dit betekent dat de consument beschermende bedingen uit die titel en de daarmee samenhangende bedingen niet van toepassing zijn.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor de aktes van eisende partij wordt geen salaris toegekend, nu zij deze informatie bij dagvaarding in het geding had moeten brengen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding		€ 146,14</para>
      <para>- griffierecht		€ 135,00</para>
      <para>- salaris gemachtigde	€   82,00 (1 punt x tarief € 82,00)</para>
      <para>- nakosten		<emphasis role="underline">€   41,00</emphasis> (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
      <para>Totaal			€ 404,14.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Voor de volledigheid overweegt de kantonrechter dat eisende partij primair heeft verzocht dat alleen de kantonrechter kennis neemt van de informatie over het verdienmodel van eisende partij en de bijbehorende producties, zoals is bedoeld in artikel 22 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat dit concurrentiegevoelige informatie is. Subsidiair vraagt zij de stukken alleen aan een advocaat te verstrekken, mocht deze zich voor gedaagde partij stellen, zoals bedoeld in artikel 22a lid 3 Rv. Nu sprake is van een verstekzaak worden de ingediende akte en de bijbehorende producties niet aan gedaagde partij doorgestuurd. Daarmee wordt voldaan aan het primaire verzoek van eisende partij.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 283,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 229,34 vanaf 22 januari 2025 tot aan de dag van de volledige betaling;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt gedaagde partij tot betaling van de proceskosten van € 404,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde partij niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>