<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:7966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-01T12:05:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 24/4294</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025112504</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-2387</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:7966">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:7966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-24T13:07:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:7966 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-11-2025 / BRE 24/4294</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:7966:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:54; De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaart zich, voor zover het beroep ziet op de nakoming van de uitspraak op bezwaar, onbevoegd. De rechtbank wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:7966:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 24/4294 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 6 april 2024. Het beroep ziet op de in rekening gebrachte vervolgingskosten op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2020 met [aanslagnummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar kennelijk ongegrond en verklaart zich, voor zover het beroep ziet op de nakoming van de uitspraak op bezwaar, kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De ontvanger heeft op 6 april 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en de vervolgingskosten verminderd naar nihil. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 24 april 2024 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In het verweerschrift van 2 juli 2024 stelt de ontvanger dat een procesbelang ontbreekt, omdat de omdat de aanmanings- en dwangbevelkosten bij de uitspraak op bezwaar van 6 april 2024 zijn vernietigd. Hiermee is volledig aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bij brief van 8 juli 2024 gereageerd op het verweerschrift. Belanghebbende heeft op 24 april 2024 en 26 juni 2024, na de uitspraak op bezwaar, brieven ontvangen waarin de vervolgingskosten opgenomen zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 17 april 2025 heeft de ontvanger gereageerd dat is gebleken dat de aanmaningskosten- en dwangbevelkosten nog niet waren vernietigd en dat hij opdracht heeft gegeven om dat alsnog te doen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De rechtbank stelt voorop dat de ontvanger op 6 april 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en de vervolgingskosten heeft vernietigd. Op dat moment is de beslissing op het bezwaarschrift genomen en is een einde gekomen aan het geschil over de vervolgingskosten. De rechtbank overweegt dat het feit dat er iets mis is gegaan in de uitvoering van de uitspraak op bezwaar, deze uitspraak op bezwaar in rechte niet aantast. De beslissing dat de vervolgingskosten worden vernietigd blijft immers bestaan. Een verzoek tot nakoming van de uitspraak op bezwaar is een civiele kwestie die aan de burgerlijk rechter kan worden voorgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Belanghebbende kan voor wat betreft de opgelegde vervolgingskosten niet meer in een gunstigere positie komen. De ontvanger heeft immers beslist om deze kosten te vernietigen. Een beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van het beroep geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het indienen van beroep, ongeacht de gronden waarop het steunt, belanghebbende niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen.<footnote-ref linkend="_55cff494-32c8-4137-acf0-481d09912f82" /> Een procesbelang kan ook zijn gelegen in een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende in het geheel geen procesbelang bij de procedure heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het beroep ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen enkel nog op de verzoeken  om een materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank kan alleen een materiële schadevergoeding uitspreken als het beroep (gedeeltelijk) gegrond is.<footnote-ref linkend="_9f268b06-d2c6-4d20-a304-61acc1f55d19" /> Dat is hier niet aan de orde. De rechtbank komt in deze zaak dus niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek toe. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad heeft beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang minder bedraagt dan € 1.000 en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.<footnote-ref linkend="_dc964ed4-cb9c-4df3-b06c-16ed31fef5c3" /> Het overgangsrecht is niet van toepassing, aangezien de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024.<footnote-ref linkend="_55864874-5667-43f5-ad1c-8edb980088fc" /> Dit betekent dat belanghebbende, als de redelijke termijn al zou zijn overschreden, gelet op het financiële belang niet in aanmerking komt voor een immateriële schadevergoeding. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart zich, voor zover het beroep ziet op de nakoming van de uitspraak op bezwaar, onbevoegd; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W. Dekkers, griffier, op 17 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,  De rechter, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_55cff494-32c8-4137-acf0-481d09912f82" label="1">
    <para> Zie hiervoor o.a. HR 11 april 2014, , ECLI:NL:HR:2014:878.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9f268b06-d2c6-4d20-a304-61acc1f55d19" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:73 Awb (oud), in samenhang met Artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc964ed4-cb9c-4df3-b06c-16ed31fef5c3" label="3">
    <para> Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_55864874-5667-43f5-ad1c-8edb980088fc" label="4">
    <para> Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>