<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:7883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-14T13:26:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RK25-013716</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:7883">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:7883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-14T11:07:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:7883 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-11-2025 / RK25-013716</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:7883:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Klaagschrift 552a, klaagster niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:7883:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team strafrecht </para>
      <para>Locatie Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 02-811160-13</para>
      <para>rk.nummer:  	25-013716</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a Sv van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [klaagster]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1984</para>
      <para>woonplaats kiezende op het kantoor van mr. R. Zilver, Maliesingel 2, 3581 BA Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 20 mei 2025 ter griffie van deze rechtbank;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de kennisgevingen van inbeslagneming op grond van artikel 94a Sv, waaruit blijkt dat in de strafzaak tegen [belanghebbende] sieraden en een geldbedrag van in totaal € 77.490,00 in beslag zijn genomen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de reactie van de officier van justitie en </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 28 oktober 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de volgende personen gehoord:</para>
    </parablock>
    <para>- officier van justitie mr. S. Massier; </para>
    <para>- waarnemend (en gemachtigd) raadsman van klaagster en medeklaagsters mr. S. Schuurman; </para>
    <para>- medeklaagster [medeklaagster 1] ;</para>
    <para>- medeklaagster [medeklaagster 2] en</para>
    <para>- belanghebbende [belanghebbende] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klaagster] is niet bij de behandeling in raadkamer verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de erven van [erflater] . Daartoe is aangevoerd dat de sieraden en het geldbedrag toebehoorden aan [erflater] . De sieraden betreffen investeringen en familie-erfstukken. Het geldbedrag is door [erflater] op legale wijze verdiend. Ter ondersteuning van dit standpunt zijn foto’s, verklaringen en facturen overgelegd. Over het beslag is eerder het klaagschrift met nummer 17-007078 ingediend en beoordeeld. Voornoemde stukken vormen naar de mening van de raadsman de nieuwe feiten en omstandigheden waardoor het klaagschrift inhoudelijk kan worden behandeld. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat door het tijdsverloop de toets van de proportionaliteit van het beslag anders is komen te liggen. [erflater] is na de behandeling van het eerdere klaagschrift overleden. Volgens klaagster was het zijn wens dat de sieraden aan de kleinkinderen werden gegeven. Desgevraagd hebben [medeklaagster 1] en [medeklaagster 2] in raadkamer verklaard dat er geen sprake is van een testament. Het is de bedoeling dat de sieraden en het geld teruggaan naar [echtgenote] (de weduwe van [erflater] ). Na haar overlijden zullen de sieraden en het resterende geld worden verdeeld. Bij de behandeling in raadkamer is een briefje overgelegd waaruit volgt dat [echtgenote] klaagster [medeklaagster 1] en [medeklaagster 2] machtigt om haar belangen te behartigen. De voorzitter heeft met behulp van de identiteitskaart van [echtgenote] vastgesteld dat het bericht door haarzelf is ondertekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in vergelijking met het klaagschrift met nummer 17-007078. Naar de mening van de officier van justitie geeft het tijdsverloop in deze zaak geen aanleiding voor een nieuwe beoordeling. Zij heeft verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in het klaagschrift. Zij merkt hierbij op dat zij geen nader onderzoek naar de facturen heeft kunnen laten verrichten, omdat die pas twee dagen voor de raadkamerbehandeling zijn toegezonden door de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift is tijdig ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klaagster en medeklaagsters hebben namens de erven [erflater] (verder: [erflater] ) gesteld dat het geld en de sieraden toebehoorden aan [erflater] . Nu hij is overleden zijn naar hun mening de erven van [erflater] de redelijkerwijs rechthebbenden geworden. Bij de behandeling in raadkamer is door [medeklaagster 1] en [medeklaagster 2] verklaard dat wijlen [erflater] in gemeenschap van goederen was getrouwd met [echtgenote] en dat hij geen testament heeft opgemaakt. Indien de rechtbank uitgaat van deze gegevens, betekent dit volgens de regels van het erfrecht enerzijds dat als erfgenamen van [erflater] aangemerkt worden zijn [echtgenote] en zijn drie kinderen, te weten [medeklaagster 1] , [belanghebbende] en [medeklaagster 2] , maar anderzijds dat de erfenis van [erflater] in de huwelijkse gemeenschap van goederen valt. Door de wettelijke verdeling komen alle goederen uit de nalatenschap van [erflater] toe aan zijn [echtgenote] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [medeklaagster 1] en [medeklaagster 2] hebben in raadkamer bevestigd dat het de bedoeling is dat het geld en de sieraden teruggaan naar [echtgenote] . De rechtbank stelt vast dat in het klaagschrift is vermeld dat teruggave wordt verzocht aan de erven [erflater] . [echtgenote] is in het klaagschrift niet bij naam genoemd. Bij het klaagschrift is ook geen machtiging gevoegd waaruit blijkt dat het klaagschrift mede namens haar is ingediend. De machtiging die bij de raadkamerbehandeling is overgelegd kan dit gebrek niet herstellen. Hierin is immers alleen vermeld dat [medeklaagster 1] en [medeklaagster 2] de belangen van [echtgenote] mogen behartigen. In dit stuk wordt geen enkele link gelegd met deze klaagschriftprocedure. Gelet hierop kan de rechtbank het klaagschrift niet zo ruim opvatten dat het ook is ingediend door [echtgenote] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is binnen een beklagprocedure niet mogelijk om teruggave van een in beslag genomen goed te verzoeken aan  iemand anders dan de klager zelf. Om die reden zal de rechtbank klaagster niet-ontvankelijk verklaren in haar beklag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op voorgaande conclusie komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of de sieraden en het geld al dan niet toebehoorden aan [erflater] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het klaagschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is op 11 november 2025 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. R.J.H. de Brouwer en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 november 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>INFORMATIE RECHTSMIDDEL</para>
      <para>Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing <emphasis role="bold">beroep in cassatie </emphasis>worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>