<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:6652</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-14T15:30:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 24/5962</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:6652">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:6652</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-14T15:29:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:6652 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-10-2025 / BRE 24/5962</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:6652:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslag parkeerbelasting, redelijke termijn, motiveringsbeginsel, kostenraming, beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:6652:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 24/5962 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende, </title>
    <para>(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema, verbonden aan Bezwaartegenverkeersboetes.nl),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 juli 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De auto met [kenteken] stond op 23 juni 2024 omstreeks 12:05 uur stil aan de [straat] te [plaats 2]. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,15 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft de auto om 12:16 uur aangemeld in de ANWB-parkeerapp.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de kostenraming deugdelijk is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.</para>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. De kostenraming is niet deugdelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Toetsingskader van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen [plaats 2] 2024 (de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gronden belanghebbende</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Belanghebbende voert aan dat de parkeerbelasting in een redelijke termijn is voldaan. Belanghebbende betwist daarnaast dat de kosten van de naheffingsaanslag in overeenstemming met artikel 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting zijn berekend. Verder voert belanghebbende aan dat de motivering in de uitspraak op bezwaar te algemeen van aard is en grotendeels lijkt te bestaan uit vooraf opgestelde standaardteksten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 23 juni 2024 geparkeerd stond aan de [straat] te [plaats 2]. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.<footnote-ref linkend="_8b8c092a-9654-480d-99ae-ddcdd8444cda" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is vanaf de aanvang van het parkeren parkeerbelasting verschuldigd.<footnote-ref linkend="_440e3b46-249f-4a1d-8078-51bdb41f87c6" /> Uit vaste rechtspraak volgt echter ook dat een parkeerder een redelijke termijn moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen om de parkeerapparatuur in werking te stellen. Die redelijke termijn begint direct nadat de auto wordt geparkeerd.<footnote-ref linkend="_f60a3c34-6544-4a0f-87ba-40723df0b790" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Belanghebbende voert aan dat de parkeerbelasting in een redelijke termijn is voldaan. Betaling heeft plaatsgevonden door middel van de ANWB-parkeerapp. Dit heeft enige tijd geduurd omdat belanghebbende het wachtwoord van de parkeerapp was vergeten en een nieuw wachtwoord moest instellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank mag van iemand die parkeert verwacht worden dat hij zorgt dat de middelen om de parkeerbelasting te voldoen gereed zijn om te gebruiken. Het uitvoeren van de handelingen om parkeerbelasting te voldoen mag enige tijd kosten. Bij belanghebbende was echter sprake van veel tijdverloop. Tussen de constatering dat geen parkeerbelasting is voldaan en de uiteindelijke aanmelding van de auto in de parkeerapp is een periode van elf minuten verstreken. In dit geval is geen sprake meer van een redelijke termijn om parkeerbelasting te voldoen. Belanghebbende heeft dus niet vanaf aanvang van het parkeren parkeerbelasting voldaan waardoor de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is het motiveringsbeginsel geschonden?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Een uitspraak op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.<footnote-ref linkend="_6b75d2cf-d060-4279-9fb6-f930ba0f9fd2" /> Indien door de heffingsambtenaar gebruik is gemaakt van standaardteksten, dan betekent dit niet direct dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar gereageerd op de bezwaargronden van belanghebbende en is het besluit deugdelijk gemotiveerd. Het motiveringsbeginsel is daarom niet geschonden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is de kostenraming deugdelijk?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. Belanghebbende stelt dat de kostenraming niet geverifieerd kan worden. De heffingsambtenaar verwijst voor de berekening van de kosten van de naheffingsaanslag naar de Verordening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft de kosten van de naheffingsaanslag gespecificeerd in bijlage D van de Verordening (de tarieven- en kostentabel). Hierin worden de kosten berekend tot een bedrag van € 61,65. De gemeentelijke kosten van een naheffingsaanslag mogen ten hoogste vastgesteld worden op € 76,70.<footnote-ref linkend="_a6d4164a-243f-49e0-b964-291bef98b74a" /> De kosten die zijn berekend in de tarieven- en kostentabel overschrijden dus de kosten die genoemd zijn in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (wettekst 1 januari 2024) niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>Het ligt op de weg van de heffingsambtenaar om de kosten van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken.<footnote-ref linkend="_963b1eed-89bc-40d0-a365-e4c9ab5aa774" /> In artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen worden zes componenten genoemd waaruit de kosten van de naheffingsaanslag kunnen bestaan. In de tarieven- en kostentabel worden enkel de overheadkosten gespecificeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet duidelijk waar de overige kosten uit bestaan. Het zou daarom mogelijk kunnen zijn dat er kostenposten zijn opgenomen die geen samenhang hebben met het opleggen van de naheffingsaanslag. Daarnaast mogen de overheadkosten maximaal 50% van de personeelskosten bedragen.<footnote-ref linkend="_ed3976b9-2c96-4bb7-88f9-4b5a49581ed4" /> Dit is niet te controleren aan de hand van de tarieven- en kostentabel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de kosten van de naheffingsaanslag niet aannemelijk gemaakt. De tarieven- en kostentabel is niet deugdelijk en dient buiten toepassing te worden verklaard. De naheffingsaanslag zal derhalve verminderd moeten worden naar een bedrag van € 1,50, bestaande uit enkel de parkeerbelasting. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>10.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt berekend aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 907. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe.<footnote-ref linkend="_d5dafc0d-283e-41d5-a33d-2db6533a9c33" /> Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt in totaal € 453,50. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond; </para>
    <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
    <para>- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1,50;</para>
    <para>- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;</para>
    <para>- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan belanghebbende;</para>
    <para>- beslist dat voor zover de vergoeding van het griffierecht en de toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 6 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.<footnote-ref linkend="_412cc42c-c5ca-4cee-b888-28fd9d738776" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8b8c092a-9654-480d-99ae-ddcdd8444cda" label="1">
    <para> Artikel 2, onder a, van de Verordening en artikel 1, onder 1.1, van het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen [plaats 2] 2023.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_440e3b46-249f-4a1d-8078-51bdb41f87c6" label="2">
    <para> Artikel 6 en 7 van de Verordening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f60a3c34-6544-4a0f-87ba-40723df0b790" label="3">
    <para> Zie onder andere Hof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379, r.o. 4.9. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b75d2cf-d060-4279-9fb6-f930ba0f9fd2" label="4">
    <para> Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6d4164a-243f-49e0-b964-291bef98b74a" label="5">
    <para> Artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (wettekst 1 januari 2024). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_963b1eed-89bc-40d0-a365-e4c9ab5aa774" label="6">
    <para> Hoge Raad 28 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3893, r.o. 3.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ed3976b9-2c96-4bb7-88f9-4b5a49581ed4" label="7">
    <para> Artikel 2, eerste lid, onder f, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5dafc0d-283e-41d5-a33d-2db6533a9c33" label="8">
    <para> Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_412cc42c-c5ca-4cee-b888-28fd9d738776" label="9">
    <para> Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>