<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:6325</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-03T15:38:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11802002 OV VERZ 25-3408 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:6325">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:6325</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-03T15:38:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:6325 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-09-2025 / 11802002 OV VERZ 25-3408 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:6325:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoekster heeft het griffierecht niet tijdig betaald en wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 3 lid 2 jo lid 4 Wgbz en 282a lid 2 Rv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:6325:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: 11802002 \ OV VERZ  25-3408</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 17 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [verzoeker 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [plaats 1] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[verzoeker 2]</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats 2] ,<?linebreak?>3. <emphasis role="bold">[verzoeker 3]</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats 1] ,</para>
      <para>verzoekende partijen,</para>
      <para>hierna samen te noemen: verzoekers,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.W.L. Cloots,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [plaats 1] ,</para>
      <para>verwerende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.A.A. Maat.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding en de beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze zaak werd op 21 juli 2025 een verzoekschrift met bijlagen ontvangen. Het verzoek strekt ertoe een boedelbeschrijving onder ede te bevelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 3 lid 2 jo. lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken en artikel 282a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.), dient de rechter een verzoekende partij niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek indien deze het door hem verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig (binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift) heeft voldaan. Alleen in de bij wet voorziene situatie dat toepassing van deze sanctie, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mag de rechter afzien van het toepassen hiervan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Volgens opgave van de financiële administratie hebben verzoekers het griffierecht eerst op 19 augustus 2025, derhalve te laat, betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verzoekers zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht. Hun gemachtigde heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en toegelicht dat er iets is misgegaan waardoor diverse betaalopdrachten van haar kantoor (waaronder de betaling van het griffierecht in onderhavig verzoek) niet zijn verwerkt. Direct na ontvangst van de aanmaning is het verschuldigde griffierecht alsnog voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de kantonrechter dient het feit dat het griffierecht te laat is betaald voor rekening en risico van verzoekers te komen. Van een professioneel gemachtigde (advocaat) mag worden verwacht dat zij haar kantoor en administratie zodanig inricht dat gecontroleerd wordt of een betaling van griffierechten binnen de gestelde termijn ook daadwerkelijk is gerealiseerd. Hetgeen is aangevoerd rechtvaardigt daarom niet de conclusie dat de toepassing van artikel 282a lid 2 Rv, gelet op het belang van één of meerdere partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Gelet op het hiervoor overwogene zullen verzoekers, overeenkomstig het bepaalde in artikel 282a lid 2 Rv niet-ontvankelijk worden verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Verzoekers zullen worden veroordeeld in de proceskosten, welke aan de zijde van verweerder worden begroot op nihil. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt verzoekers in de proceskosten aan de zijde van verweerder begroot op nihil. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende - Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>